Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) 2017, omdat de inspecteur geen rekening hield met een deel van de betaalde lijfrentepremies bij het vaststellen van het bijdrage-inkomen.
De kern van het geschil betrof de vraag of het niet in aanmerking nemen van die lijfrentepremies in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM Pro in samenhang met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol. Belanghebbende stelde dat sprake was van ongelijke behandeling tussen vrijwillige pensioenopbouw (derde pijler) en pensioenopbouw via verplichte regelingen (tweede pijler).
De rechtbank overwoog dat de wetgever een ruime beoordelingsmarge heeft en dat de gevallen niet als gelijke gevallen kunnen worden beschouwd vanwege het verschil in fiscale behandeling en de relatie met het inkomen. Het beroep op het discriminatieverbod faalde, en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter J.H. Bogert op 23 september 2021 te Breda.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw 2017 wordt ongegrond verklaard.