Belanghebbende, een ondernemer die in 2014 zijn onderneming staakte, had de fiscale oudedagsreserve (FOR) omgezet in een lijfrente en de premies daarvoor in mindering gebracht op zijn inkomen. De Inspecteur nam deze aftrek niet mee bij het bepalen van de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, waardoor belanghebbende een hogere aanslag kreeg opgelegd.
Het hof oordeelde dat er sprake was van ongelijke behandeling tussen ondernemers die pensioen opbouwen via een lijfrente en werknemers die pensioen opbouwen via hun werkgever, zonder objectieve rechtvaardiging. Het hof bood echter geen rechtsherstel.
De Hoge Raad oordeelt dat de wetgever terecht onderscheid maakt tussen werknemers en ondernemers bij de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage, maar dat het hof ten onrechte geen rechtsherstel bood voor de ongelijke behandeling van ondernemers die hun FOR omzetten in een lijfrente. Er is geen voldoende rechtvaardiging voor deze ongelijke behandeling. De aanslag wordt daarom verminderd tot nihil.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat er geen zwaarwegende uitvoeringsproblemen zijn die de ongelijke behandeling kunnen rechtvaardigen. De proceskosten worden niet aan belanghebbende opgelegd. Het arrest is gewezen door de vice-president en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2018.