Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen aanslagen inkomstenbelasting en rentebeschikkingen over de jaren 2006 tot en met 2017. De rechtbank verklaart de beroepen tegen de aanslagen 2008 en 2009 en de jaren 2010 en 2011 niet-ontvankelijk vanwege uitgeputte rechtsmiddelen en het ontbreken van bezwaar binnen de termijn. De beroepen tegen de overige jaren worden ongegrond verklaard.
De kern van het geschil betreft de vraag of het door belanghebbende ontvangen pensioen van de NATO is vrijgesteld van inkomstenbelasting op grond van het Verdrag van Ottawa 1951. De rechtbank oordeelt dat de vrijstelling niet geldt voor pensioenuitkeringen na beëindiging van de functie, ook niet als het pensioen deels betrekking heeft op actieve dienstjaren.
Verder is onduidelijkheid over de verdeling van negatieve inkomsten uit eigen woning tussen belanghebbende en zijn echtgenote, fiscale partners. De rechtbank stelt dat wijziging van de verdeling nog mogelijk is tot het moment dat aanslagen onherroepelijk vaststaan.
Belanghebbende heeft recht op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van bezwaar en beroep, vastgesteld op €10.000. De rechtbank verklaart zich onbevoegd voor materiële schadevergoeding en wijst het griffierecht toe aan belanghebbende.
Uitkomst: Beroepen tegen aanslagen 2008, 2009, 2010 en 2011 niet-ontvankelijk; overige beroepen ongegrond; immateriële schadevergoeding €10.000 toegekend.