Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende was vennoot in een vennootschap onder firma en hield een buitenlandse bankrekening aan waarvan het vermogen niet was opgegeven in de belastingaangiften over 2008-2014. De inspecteur vroeg herhaaldelijk om informatie over deze rekening en de herkomst van het vermogen, waaronder mutatieoverzichten (Kontoauszug), een overzicht van contante stortingen/opnamen, bewijsstukken van een voorgenomen onderneming in het buitenland en documenten over een lening uit 2005.
Belanghebbende leverde onvoldoende informatie aan en weigerde bepaalde gevraagde stukken te overleggen. De inspecteur legde daarom een informatiebeschikking op op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Belanghebbende stelde beroep in tegen deze beschikking.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht de informatiebeschikking heeft opgelegd omdat de gevraagde gegevens van belang kunnen zijn voor de juiste belastingheffing. Het niet kunnen overleggen van stukken vanwege tijdsverloop en kosten komt voor risico van belanghebbende. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
De rechtbank stelt belanghebbende alsnog in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van het vonnis aan het informatieverzoek te voldoen. Er worden geen proceskosten opgelegd. Het hoger beroep kan worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep tegen de informatiebeschikking wordt ongegrond verklaard en belanghebbende krijgt vier weken om alsnog aan het informatieverzoek te voldoen.