Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbenden, bestaande uit een V.O.F. en haar twee vennoten, exploiteren een cafetaria met een klein caféfunctie waarbij contant geld omgaat. De omzet wordt bepaald via een elektronische kassa die Z-afslagen produceert, maar er worden geen kopieën van bonnen of een dagelijks kasboek bijgehouden. De boekhouder maakt maandelijks een reconstructie van de omzet op basis van Z-afslagen, bankafschriften en inkoopnota's.
De inspecteur startte een boekenonderzoek naar de belastingaangiften over de jaren 2012 tot en met 2015 en stelde vast dat belanghebbenden niet voldeden aan hun administratie- en bewaarplicht. Daarom legde hij informatiebeschikkingen op. De rechtbank oordeelt dat de administratie niet zodanig is ingericht dat controle binnen een redelijke termijn mogelijk is, omdat detailgegevens ontbreken en het kassasysteem niet meer beschikbaar is.
De rechtbank stelt vast dat het ontbreken van detailinformatie, zoals retourboekingen, en het niet bewaren van primaire bescheiden een schending van artikel 52 AWR Pro vormt. Het aanbod van belanghebbenden om de kassa uit te laten lezen verandert hier niets aan, aangezien zij zelf verantwoordelijk zijn voor het bewaren van de administratie. Ook de vennoten zijn administratieplichtig en hebben niet aan deze verplichting voldaan.
De beroepen worden daarom ongegrond verklaard. Omdat de schending van de administratieplicht niet meer kan worden hersteld, wordt geen nieuwe termijn gesteld voor het voldoen aan de verplichtingen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De beroepen tegen de informatiebeschikkingen wegens schending van de administratieplicht worden ongegrond verklaard.