Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
“van echtgenoot, hij heeft een eigen autobedrijf”. Bij beoogd gebruik staat op het aangifteformulier:
“om een huis te kopen”. Zij heeft bij de aangifte ook een brief afgegeven van de onderneming van haar man waarin staat:
“Hierbij wil ik aangeven dat ik als bedrijf een bedrag van € 30.000 meegeef om een rek. te betalen aan de bedrijf in Turkije”.
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Vergoeding van immateriële schade
6.Proceskosten
7.Beslissing
- verklaart zich onbevoegd om te oordelen over de beslissingen van de inspecteur op grond van artikel 65 van Pro de AWR op het verzoek om de naheffingsaanslagen OB ambtshalve te verminderen;
- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 521,74;
- veroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.478,26;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 400,50;
- veroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 400,50;
- gelast dat de inspecteur de helft van het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 108 aan hem vergoedt;
- gelast dat de Minister van Justitie en Veiligheid de helft van het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 108 aan hem vergoedt.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: