Belanghebbende betwistte de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning voor het jaar 2018, die was vastgesteld op €221.000. De heffingsambtenaar gebruikte de vergelijkingsmethode met referentiewoningen en corrigeerde de waarde onder meer vanwege de ongunstige ligging van de woning en de kwaliteit van de aanbouw. Belanghebbende stelde dat de kubieke meterprijs onjuist was berekend omdat de heffingsambtenaar geen rekening hield met het afnemend grensnut, hetgeen volgens hem een wortelformule vereist.
De rechtbank oordeelde dat de berekening van de heffingsambtenaar niet voldeed aan de eis om het afnemend grensnut te verwerken, waardoor de waarde van de woning te hoog werd vastgesteld. De door belanghebbende voorgestelde berekening met de wortelformule gaf een realistischer beeld. De rechtbank stelde daarom de WOZ-waarde vast op €196.000.
Daarnaast werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van belanghebbende, vastgesteld op €1.548. Omdat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep met ruim acht maanden was overschreden, kende de rechtbank een immateriële schadevergoeding van €1.000 toe aan belanghebbende, te betalen door de Staat der Nederlanden.
De uitspraak vernietigde de eerdere uitspraak op bezwaar en paste de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig aan. Partijen werd de mogelijkheid gegeven om binnen zes weken hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.