De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het beroep van belanghebbende tegen de inspecteur van de Belastingdienst inzake de teruggaaf van dividendbelasting over het jaar 2006. Belanghebbende stelde dat een bedrag van € 647.069 aan dividendbelasting was ingehouden en dat geen teruggaaf van het 10 procent-punt had plaatsgevonden. De inspecteur erkende geen onregelmatigheden in de contra-informatie, waardoor het recht op teruggaaf van € 258.828 niet langer werd betwist.
Belanghebbende vorderde tevens vergoeding van belastingrente op grond van het unierecht, verwijzend naar de zaak Irimie. De rechtbank liet dit in het midden vanwege de invoering van artikel 28c Invorderingswet 1990, dat de belastingrechter sinds 2015 niet meer bevoegd maakt tot schadevergoeding wegens gederfde rente. Wel werd op grond van artikel 30ha AWR belastingrente toegekend over het wettelijk bepaalde tijdvak.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende, vastgesteld op € 3.147, en gelastte vergoeding van het betaalde griffierecht. De uitspraak volgt op een eerdere uitspraak van 15 januari 2020 en bevestigt de teruggaafbeschikking voor 2006, met toekenning van rentevergoeding en kosten.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer en is niet openbaar uitgesproken vanwege coronamaatregelen. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.