In een meervoudige bestuursrechtelijke procedure tegen belastingaanslagen heeft de inspecteur een omvangrijk strafdossier ingebracht, bestaande uit 23 verhuisdozen met ordners, waarvan twee ordners als relevant voor de belastingprocedures zijn aangemerkt. Belanghebbenden betwisten de relevantie van de overige verhuisdozen en verzoeken om beperking van het procesdossier. De rechtbank overweegt dat de inspecteur vrij is om stukken in te brengen, maar dat hij op grond van artikel 8:32a Awb een substantiëringsplicht heeft om per document aan te geven welke stelling het ondersteunt.
De inspecteur heeft gesteld dat alle stukken in de verhuisdozen van belang zijn voor alle stellingen, wat de rechtbank onvoldoende vindt. Daarom worden de stukken in de verhuisdozen, behalve die in de twee ordners, buiten beschouwing gelaten. Dit voorkomt dat belanghebbenden en de rechter worden geconfronteerd met een onwerkbaar groot dossier zonder duidelijke relevantie. Nieuwe stukken die later zijn toegevoegd hoeven niet te worden ingebracht.
De rechtbank benadrukt dat artikel 8:32a Awb ook geldt voor papieren stukken en dat het niet afdoet aan het recht van belanghebbenden om kennis te nemen van relevante stukken. De stukken blijven wel onderdeel van het dossier voor eventuele hogerberoepsprocedures. Tegen deze tussenuitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.