Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
Kamerstukken II1994/95, 24 172, nr. 5, par.6):
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende en de heer B hadden een langdurige samenwoning en sloten een samenlevingsovereenkomst. De woning werd door de heer B in 2012 verkregen en later, bij beëindiging van de relatie, aan belanghebbende toegewezen. Belanghebbende deed aangifte overdrachtsbelasting over de verkrijging van het recht van erfpacht op de woning.
De kern van het geschil betrof de vraag of de verkrijging vrijgesteld was van overdrachtsbelasting op grond van artikel 15 eerste Pro lid, onderdeel g van de WBR, dat vrijstelling verleent bij verdeling van een gemeenschap die is ontstaan door een gezamenlijke verkrijging. Belanghebbende stelde dat er sprake was van een de facto gemeenschap en dat de wetgever samenwoners gelijk wilde stellen aan gehuwden.
De rechtbank overwoog dat een gezamenlijke verkrijging vereist dat partijen gelijktijdig en uit dezelfde oorzaak gerechtigd zijn geworden tot het goed. Nu de woning volledig door de heer B was verkregen en later aan belanghebbende werd overgedragen, was er geen gezamenlijke verkrijging. Ook een de facto gemeenschap leidt niet tot een gemeenschap in de zin van titel 7 van Boek 3 BW. De vrijstelling was derhalve niet van toepassing en het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond omdat geen sprake is van een gezamenlijke verkrijging en dus geen vrijstelling overdrachtsbelasting.