Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, woonachtig in Nederland, werkte in 2014 als piloot voor easyJet en was tot mei gestationeerd op de luchthaven Milaan-Malpensa in Italië. Hij ontving loon waarop Italiaanse belasting was ingehouden en vroeg aftrek ter voorkoming van dubbele belasting in Nederland, welke door de inspecteur werd geweigerd.
De rechtbank beoordeelde het geschil aan de hand van het belastingverdrag tussen Nederland en Italië. De inspecteur stelde primair dat Nederland heffingsrecht heeft op grond van artikel 15 lid 3 van Pro het verdrag, maar de rechtbank verwierp dit omdat de plaats van werkelijke leiding van easyJet in het Verenigd Koninkrijk ligt en de context van het verdrag leidend is.
Subsidiair stelde de inspecteur dat Nederland heffingsrecht heeft op grond van artikel 15 lid Pro 2, omdat er geen in Italië gevestigde werkgever zou zijn. De rechtbank oordeelde echter dat wel sprake is van een vaste inrichting in Italië en dat de beloning aan deze vaste inrichting moet worden toegerekend, waardoor het heffingsrecht aan Italië toekomt.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bezwaar voor zover het de weigering van aftrek betrof, en kende de aftrek toe. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat het heffingsrecht over het loon aan Italië toekomt en kent aftrek ter voorkoming van dubbele belasting toe.