ECLI:NL:RBZWB:2017:3448

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 juni 2017
Publicatiedatum
8 juni 2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 4854
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32d Wet op de loonbelasting 1964Art. 1 Eerste Protocol EVRMArt. 14 EVRMArt. 26 IVBPR
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond verklaard tegen crisisheffing 2014 voor hoog loon

Belanghebbende, een sportorganisatie, maakte bezwaar tegen de door haar afgedragen crisisheffing 2014 over het loon van werknemers boven €150.000, ter hoogte van €2.303.011. De inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond en belanghebbende stelde beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank overwoog dat de Hoge Raad reeds had vastgesteld dat de crisisheffing een wettelijke grondslag heeft en niet in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, noch met artikel 14 EVRM Pro en artikel 26 IVBPR Pro. Belanghebbendes stelling dat de heffing buiten toepassing zou moeten blijven wegens schending van deze bepalingen werd verworpen.

Ook het argument dat sprake zou zijn van een individuele buitensporige last kon niet worden gevolgd, omdat belanghebbende geen specifieke feiten of omstandigheden had aangevoerd die dit zouden onderbouwen.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en zag geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. Het vonnis werd op 2 juni 2017 uitgesproken door de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de crisisheffing 2014 is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 16/4854
uitspraak van 2 juni 2017
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende], gevestigd te [vestigingsplaats] ,
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de inspecteur van 15 juni 2016 op het bezwaar van belanghebbende tegen de door haar over het tijdvak maart 2014 afgedragen pseudo-eindheffing hoog loon (hierna: crisisheffing) voor een bedrag van € 2.303.011.
Zitting
Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.
Belanghebbende is een [sportorganisatie] .
2.2.
Belanghebbende heeft in de aangifte loonheffingen over het tijdvak maart 2014 op grond van artikel 32d van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2014) het loon in aanmerking genomen dat door haar werknemers is genoten in 2013, voor zover dat meer bedraagt dan € 150.000 per werknemer. De over dit loon verschuldigde crisisheffing bedroeg € 2.560.326 en is door belanghebbende op aangifte afgedragen.
2.3.
Bij uitspraak op bezwaar van 15 juni 2016 heeft de inspecteur het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
2.4.
Belanghebbende heeft over het jaar 2013 een totaal loon uit dienstbetrekking aangegeven van € 29.548.805 waarop € 13.843.466 aan loonheffingen is ingehouden en afgedragen.
2.5.
Uit de aangiften vennootschapsbelasting van belanghebbende, blijkt onder meer het volgende:
2012/2013
2013/2014
Winstreserves
€ 7.722.000
€ 6.605.000
Netto omzet
€ 62.858.000
€ 63.559.000
Af:Lonen en salarissen
(incl. sociale lasten en pensioen)
€ 37.567.000
€ 38.047.000
Af:Overige kosten
€ 24.451.000
€ 24.636.000
Bij:Saldo financiële baten en lasten
-/- € 2.096.000
-/- € 1.993.000
Resultaat
-/- € 1.256.000
-/- € 1.117.000
2.6.
In geschil is of belanghebbende de crisisheffing verschuldigd is. Meer in het bijzonder is in geschil of de crisisheffing in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EP EVRM) of in strijd is met artikel 14 van Pro het EVRM en artikel 26 van Pro het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR). Het in geding zijnde bedrag bedraagt € 2.303.011.
Vooraf
2.7.
De rechtbank ziet geen aanleiding om – zoals belanghebbende heeft verzocht – het onderhavige beroep aan te houden in verband met twee proefprocedures betreffende de crisisheffing bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.
Inhoudelijk
2.8.
De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 29 januari 2016, nr. 15/00340 en nr. 15/03090, ECLI:NL:HR:2016:121 en ECLI:NL:HR:2016:124, geoordeeld dat de crisisheffing een wettelijke grondslag in de Wet op de loonbelasting 1964 heeft en dat de crisisheffing op regelgevingsniveau niet in strijd is met het recht op ongestoord genot van eigendom (artikel 1 EP Pro EVRM). Tevens heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de crisisheffing niet discriminerend is in de zin van artikel 14 EVRM Pro en artikel 26 IVBPR Pro. Belanghebbendes stellingen dat de crisisheffing buiten toepassing dient te blijven wegens schending van artikel 1 EP Pro EVRM op regelgevingsniveau en schending van artikel 14 EVRM Pro en artikel 26 IVBPR Pro kunnen dan ook niet slagen.
2.9.
Het voorgaande laat de mogelijkheid open dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Belanghebbende heeft in haar beroepschrift geconcludeerd dat sprake is van een ‘individual and excessive burden’. Belanghebbende heeft geen specifiek voor haar situatie geldende feiten en omstandigheden aangevoerd. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat de crisisheffing in haar geval tot een individuele buitensporige last leidt en op die grond buiten toepassing moet blijven.
2.10.
Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.
2.11.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan op 2 juni 2017 door mr. W.A.P. van Roij, voorzitter, mr.drs. M.H. van Schaik en mr. E. Kouwenhoven, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. L. Mesman-Arts, griffier.
De griffier, De voorzitter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.