Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende was bestuurder van een vennootschap die failliet werd verklaard. De Belastingdienst stelde hem aansprakelijk voor onbetaalde naheffingsaanslagen loonheffingen over diverse perioden in 2009. Belanghebbende voerde aan dat een betaling van de vennootschap de belastingschulden over bepaalde perioden had tenietgedaan, waardoor hij niet aansprakelijk kon worden gesteld.
De rechtbank stelde vast dat het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch onherroepelijk had bepaald dat de betaling een gerichte betaling betrof van een andere loonheffingschuld (periode 5 van 2009). Hierdoor waren de belastingschulden waarvoor aansprakelijkheid werd gevorderd niet voldaan en bleven deze bestaan.
Verder oordeelde de rechtbank dat de motivering van de uitspraak op bezwaar voldoende was, ondanks dat niet alle aanslagnummers expliciet werden genoemd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de aansprakelijkstelling van belanghebbende.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 6 april 2017.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de aansprakelijkstelling van belanghebbende voor de onbetaalde loonheffingen.