Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een groothandel in alcoholische en alcoholvrije dranken met een vergunning voor een inrichting voor verbruiksbelasting (IVV), bracht verbruiksbelasting in aftrek op frisdrank die zij had gekocht van Nederlandse leveranciers. Deze leveranciers hadden echter nooit verbruiksbelasting afgedragen. De inspecteur stelde een naheffingsaanslag op wegens onterecht verleende teruggaaf.
De rechtbank oordeelde dat de frisdrank was ingeslagen in de IVV van belanghebbende, waardoor belastingheffing pas plaatsvindt bij uitslag buiten de IVV. De primaire stelling van de inspecteur dat sprake was van uitslag werd verworpen. Subsidiair stelde de inspecteur dat belanghebbende wist of redelijkerwijs kon weten dat de goederen via parallelimport uit het buitenland kwamen en niet waren belast.
De rechtbank achtte aannemelijk dat de goederen uit het buitenland afkomstig waren en niet in de heffing van verbruiksbelasting waren betrokken. Belanghebbende als ervaren marktdeelnemer had dit moeten weten. De naheffingsaanslag werd daarom terecht opgelegd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslag verbruiksbelasting alcoholvrije dranken.