Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, actief in zorg, welzijn en wonen, liet een nieuw verpleeghuis bouwen en bracht in totaal € 2.812.435 aan voorbelasting in aftrek. Na ingebruikname van het pand in het tweede kwartaal van 2014 voor vrijgestelde prestaties, bracht belanghebbende geen herziening aan. De inspecteur legde een naheffingsaanslag op voor het volledige bedrag.
Belanghebbende stelde dat herziening ineens niet mogelijk was en dat deze beperkt moest blijven tot een tiende deel. De rechtbank oordeelde dat de herziening niet gebaseerd is op artikel 15, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968, maar op de overgangsregeling van het Belastingplan 2014, die een volledige herziening ineens bij ingebruikname voorschrijft.
De rechtbank stelde vast dat deze regeling niet in strijd is met de btw-richtlijn, met name artikel 184 en Pro 186, en dat de zaak Holin Groep niet van toepassing is. De naheffingsaanslag is daarom terecht opgelegd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslag voor het volledige bedrag van € 2.812.435.