ECLI:NL:PHR:2009:BG4109
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over herziening omzetbelasting bij levering niet-bouwterrein na intrekking bouwvergunning
Belanghebbende, een ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968, had percelen grond verworven die aanvankelijk als bouwterrein werden beschouwd. Na intrekking van de bouwvergunning door het ministerie van VROM leverde zij deze percelen vrijgesteld van omzetbelasting aan een derde partij. De Inspecteur voerde naheffing omzetbelasting in verband met herziening van de voorbelasting, hetgeen door belanghebbende werd bestreden.
Zowel de Rechtbank als het Hof bevestigden dat de levering vrijgesteld was en dat de herziening van de voorbelasting terecht plaatsvond. Belanghebbende stelde in cassatie dat de percelen ten tijde van levering nog steeds bouwterrein waren, dat herziening niet mogelijk was bij een wijziging van de status van het goed en dat correctie van voorbelasting op diensten niet aan de orde was.
De Hoge Raad overwoog dat de status van bouwterrein beoordeeld moet worden op het tijdstip van levering en dat de vrijstelling van omzetbelasting terecht werd toegepast omdat op dat moment vaststond dat bebouwing niet mogelijk was. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat de omzetbelasting op voorbelasting terecht wordt herzien, ook bij een wijziging van de status van het goed, en dat de regeling van artikel 15, lid 4, van de Wet niet in strijd is met de Zesde richtlijn. Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard; de levering was vrijgesteld en de herziening van de voorbelasting was terecht.