Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, lid van de Raad van Commissarissen van een stichting die goede huisvesting biedt, maakte bezwaar tegen de opgelegde omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2014. De rechtbank stelde vast dat belanghebbende naast zijn commissariaat een gemeenteambtenaar is en geen andere nevenfuncties heeft. De statuten van de stichting regelen uitgebreid de taken en bevoegdheden van de Raad van Commissarissen.
De kern van het geschil betrof de vraag of belanghebbende als ondernemer voor de omzetbelasting moet worden aangemerkt. De rechtbank verwees naar de Btw-richtlijn en de Wet op de omzetbelasting 1968, en stelde dat het verrichten van werkzaamheden voor slechts één opdrachtgever niet uitsluit dat sprake is van een economische activiteit. Cruciaal was de beoordeling of belanghebbende zelfstandig handelt of een band van ondergeschiktheid heeft met de stichting.
De rechtbank concludeerde dat belanghebbende zijn werkzaamheden als commissaris zelfstandig verricht, op eigen naam, rekening en verantwoordelijkheid, ondanks de taakomschrijving in de statuten. Er is geen sprake van een arbeidsovereenkomst of ondergeschiktheid. De vergoeding is gemaximeerd conform de Wet Normering Bezoldiging Topfunctionarissen, maar dat doet niet af aan het ondernemerschap. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat omzetbelasting terecht is voldaan.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag omzetbelasting wordt ongegrond verklaard omdat hij ondernemer is voor de omzetbelasting.