Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende exploiteert een groothandel in dranken en kreeg een naheffingsaanslag accijns opgelegd over het vierde kwartaal van 2012, omdat volgens informatie van Zweedse en Duitse douaneautoriteiten de accijnsgoederen niet op hun bestemming waren aangekomen. Belanghebbende ontkende aansprakelijk te zijn, stellende dat de ontvangstberichten via het EMCS-systeem rechtsgeldig waren en dat zij niet kon worden aangesproken op basis van valse ontvangstbevestigingen.
De rechtbank overwoog dat valse ontvangstberichten niet als bewijs van ontvangst kunnen gelden volgens de accijnsrichtlijn en Wet op de accijns. De inspecteur had aannemelijk gemaakt dat de goederen niet waren aangekomen en dat de accijnsgoederen waren uitgeslagen uit de accijnsgoederenplaats van belanghebbende. Belanghebbende leverde geen tegenbewijs dat de onregelmatigheden elders hadden plaatsgevonden.
Ook de stelling dat een ander zekerheid had gesteld faalde, evenals de argumenten over schending van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. De rechtbank concludeerde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslag accijns wegens valse ontvangstbevestigingen.