Belanghebbende, houder van een bestelauto die niet als ondernemer in de zin van de Wet OB wordt beschouwd, maakte bezwaar tegen de motorrijtuigenbelasting die hij moest betalen volgens het hogere tarief voor personenauto's. De inspecteur wees het bezwaar af, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.
De kern van het geschil was of het verschil in belastingtarief tussen ondernemers en particulieren met een bestelauto een verboden discriminatie inhoudt. Belanghebbende stelde dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat ondernemers een verlaagd tarief betalen, terwijl particulieren dat niet doen.
De rechtbank verwees naar het arrest van de Hoge Raad van 10 september 2010, waarin werd geoordeeld dat het onderscheid tussen zakelijk en privégebruik van bestelauto's niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank vond dat het begrip ondernemer in de Wet OB ruim is en dat het 10%-criterium voor zakelijk gebruik voldoende is om oneigenlijk gebruik te voorkomen.
De rechtbank wees het beroep af en oordeelde dat er geen sprake is van verboden discriminatie. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.