Belanghebbende en zijn echtgenote kochten een woning die civielrechtelijk aan hun kinderen werd geleverd, waarna de kinderen aan hen een erfpachtrecht op de grond verleenden. Na sloop bouwde belanghebbende een nieuwe woning op de grond. De rechtbank bevestigt dat de woning als eigen woning kwalificeert in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001.
De erfpachtconstructie is echter fiscaal niet aanvaardbaar vanwege het economische resultaat en de doelstelling van de eigenwoningregeling. De constructie is opgezet om vermogen naar de kinderen over te hevelen en fiscale aftrek te creëren, wat in het economische verkeer niet aannemelijk is. De erfpachtcanon moet daarom worden gesplitst in een niet-aftrekbare aflossing en een aftrekbare rente, waarbij de rente maximaal gelijk is aan de rente die de kinderen aan de bank betalen.
Daarnaast zijn de kosten van de afgesloten renteswap geen aftrekbare kosten van de eigenwoningschuld, omdat deze niet direct verbonden zijn aan het geldleningproces. De rechtbank veroordeelt de inspecteur in de proceskosten en vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 239.152.