ECLI:NL:RBZUT:2011:BQ1266
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- W.H. Westhuis
- Rechtspraak.nl
Verplichting tot medewerking aan DNA-onderzoek ter vaststelling vaderschap
Een Braziliaanse vrouw vordert van een Nederlandse man, die in Duitsland seksuele gemeenschap met haar had in het conceptietijdvak van hun kind, dat hij meewerkt aan een DNA-onderzoek om het vaderschap vast te stellen. De man weigert medewerking en beroept zich op zijn lichamelijke integriteit en privacyrechten. De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is.
De rechtbank weegt het fundamentele recht van het kind om te weten wie de biologische vader is, zwaarder dan het recht van de man op onaantastbaarheid van zijn lichaam. Aangezien het aannemelijk is dat de man de biologische vader kan zijn, is hij verplicht medewerking te verlenen aan het DNA-onderzoek. De rechtbank wijst de vordering toe, beperkt tot het leveren van DNA-materiaal aan een kliniek in Nederland.
De rechtbank wijst het verzoek tot uitvoerbaar bij voorraad verklaring af, omdat het belang van de man bij het behoud van zijn beroepsmogelijkheid zwaarder weegt. Tevens wordt de man veroordeeld tot betaling van een dwangsom bij niet-nakoming en in de proceskosten. De vordering van de vrouw namens zichzelf wordt afgewezen, alleen namens haar dochter toegewezen.
Uitkomst: De man is verplicht mee te werken aan een DNA-onderzoek om het vaderschap vast te stellen, onder verbeurdverklaring van een dwangsom.