ECLI:NL:HR:2000:AA7204
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- W.H. Heemskerk
- R. Herrmann
- A. Hammerstein
- P.C. Kop
- Rechtspraak.nl
Bevel tot DNA-onderzoek ter vaststelling vaderschap na beëindiging relatie
De vrouw verzocht de rechtbank vast te stellen dat de man de vader is van haar dochter, geboren na het beëindigen van hun relatie. De man betwistte dit en weigerde erkenning. De rechtbank beval een deskundigenonderzoek (DNA-onderzoek) om het vaderschap te bepalen, wat door het hof werd bekrachtigd.
Het hof oordeelde dat ondanks het beëindigen van de relatie, er aanwijzingen waren dat partijen in de conceptieperiode nog seksuele gemeenschap hadden, en dat de vrouw verklaarde geen andere seksuele partners te hebben gehad. Dit maakte het aannemelijk dat de man de biologische vader kon zijn. Het belang van de vrouw en het kind woog zwaarder dan het privacybelang van de man.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de man. Het stelde dat voor het bevel tot DNA-onderzoek niet vereist is dat het vaderschap vaststaat, maar dat het voldoende is dat het aannemelijk is dat de man de verwekker kan zijn. Het bevel tot DNA-onderzoek is gerechtvaardigd ondanks de inbreuk op de lichamelijke integriteit van de man.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het bevel tot DNA-onderzoek om het vaderschap vast te stellen.