ECLI:NL:RBSGR:2012:BY6999
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vorderingen inzake onrechtmatigheid en terugwerkende kracht Wet op de bedrijfsorganisatie
De zaak betreft een vordering van SBER c.s., waaronder stichtingen en besloten vennootschappen, tegen de Staat der Nederlanden. Zij vorderen onder meer de vaststelling dat de Wet van 8 november 2007 onrechtmatig is vanwege haar terugwerkende kracht en dat de Staat aansprakelijk is voor schade door ten onrechte betaalde vakheffingen.
De Wet van 8 november 2007 wijzigde de Wet op de bedrijfsorganisatie (Wbo) en introduceerde artikel 128a, dat terugwerkende kracht verleent aan de ministeriële goedkeuring van besluiten van bedrijfslichamen. Dit was een reactie op een uitspraak van het College voor het Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) die bepaalde verordeningen onverbindend verklaarde wegens een goedkeuringsgebrek.
Adomex en Rosalink hebben bestuursrechtelijke procedures gevoerd tegen vakheffingen, waarin zij tevergeefs stelden dat de Wet onverbindend was. De rechtbank volgt het oordeel van het CBb dat de inhoud van de Wet niet door de bestuursrechter kan worden getoetst. SBER en SNVAF worden niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen eigen belang hebben bij de vorderingen, enkel een ideëel belang of belangen van derden behartigen.
De rechtbank veroordeelt SBER c.s. in de proceskosten en wijst de vorderingen van Adomex en Rosalink af. De beslissing bevestigt de taakverdeling tussen bestuursrechter en burgerlijke rechter en handhaaft de terugwerkende kracht van artikel 128a Wbo.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af en verklaart SBER en SNVAF niet ontvankelijk.