ECLI:NL:RBSGR:2011:BR2869
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring bij weigering identiteit vast te stellen
Eiseres werd in vreemdelingenbewaring gesteld omdat zij weigerde haar identiteit en nationaliteit vast te stellen, geen identiteitspapieren overhandigde en zich niet aanmeldde bij de korpschef. Verweerder legde de maatregel op op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres voerde aan dat de ophouding onrechtmatig was, dat haar recht op rechtsbijstand was geschonden, en dat de bewaring werd gebruikt voor een ander doel dan toegestaan. Ook stelde zij dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering was en dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de maatregel terecht had genomen omdat eiseres niet meewerkte aan het vaststellen van haar identiteit en nationaliteit, geen vaste woon- of verblijfplaats kon aantonen en zich niet had aangemeld bij de korpschef. De rechtbank vond dat de gevolgen van het weigeren van medewerking voor rekening van eiseres komen. Hoewel de ophouding onrechtmatig was vanwege onvoldoende nader onderzoek in de periode tussen heenzending en bewaring, was de daaropvolgende bewaring niet onrechtmatig gezien de belangenafweging en het ontbreken van een minder dwingende maatregel.
De rechtbank verwierp ook de stelling dat het terugkeerbesluit onrechtmatig was, omdat dit buiten haar toetsingsbevoegdheid viel. Verder werd geoordeeld dat verweerder voldoende voortvarend had gehandeld en dat de maatregel in overeenstemming was met het EVRM. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.