ECLI:NL:RVS:2011:BP9284
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.W.M. Bijloos
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vreemdelingenbewaring en terugkeerprocedure onder de terugkeerrichtlijn
Deze zaak betreft het hoger beroep van de minister van Immigratie en Asiel tegen een uitspraak van de rechtbank die de inbewaringstelling van een vreemdeling onrechtmatig achtte en de maatregel ophefte. De kern van het geschil betreft de uitleg en toepassing van de EU-richtlijn 2008/115/EG (terugkeerrichtlijn) en de Nederlandse Vreemdelingenwet 2000.
De Raad van State bevestigt dat een maatregel van vreemdelingenbewaring alleen kan worden opgelegd indien er een terugkeerbesluit is genomen, behoudens enkele uitzonderingen genoemd in de richtlijn. De minister had onterecht de bewaring gebaseerd op het niet naleven van een vertrektermijn, terwijl de vreemdeling direct na het besluit in bewaring was gesteld en dus geen zelfstandige vertrektermijn had.
Voorts oordeelt de Afdeling dat het begrip 'risico op onderduiken' in de richtlijn vereist dat dit gebaseerd is op objectieve, in wetgeving vastgelegde criteria. De beleidsregels in de Vreemdelingencirculaire 2000 voldoen hier niet aan. De minister had concreet moeten motiveren hoe de omstandigheden bij de vreemdeling duidden op ontwijking of belemmering van de terugkeerprocedure. Ook aspecten van openbare orde kunnen geen zelfstandige grond voor bewaring zijn, tenzij zij direct verband houden met het risico op onderduiken of het belemmeren van de terugkeer.
De minister heeft onvoldoende onderbouwd dat de genoemde omstandigheden (zoals het ontbreken van documenten, het ontbreken van vaste woonplaats, en strafrechtelijke antecedenten) de bewaring rechtvaardigen. Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.