Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7109

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
ROT 26/2629
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Bbz 2004Art. 2 Bbz 2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening Bbz-uitkering wegens niet-levensvatbare onderneming

Verzoekers, partners en ondernemers van een horecaonderneming, vroegen een Bbz-uitkering voor levensonderhoud en bedrijfskapitaal aan. Het college wees de aanvraag af omdat de onderneming niet levensvatbaar is, gebaseerd op een advies van het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK).

Verzoekers betwistten dit en vroegen een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat het college zich terecht baseerde op het IMK-rapport, dat de onderneming als niet levensvatbaar beoordeelde vanwege onvoldoende inkomen na bijstandverlening, hoge schulden, seizoensinvloeden en ondernemersrisico's.

Verzoekers voerden aan dat het rapport onvolledig was en dat hun unieke horecaconcept en locatie onvoldoende werden meegewogen, maar konden dit niet met bewijs onderbouwen. Ook werden persoonlijke omstandigheden en belangen onvoldoende meegewogen, maar de rechter stelde dat artikel 2 Bbz Pro 2004 geen ruimte laat voor belangenafweging bij niet-levensvatbare bedrijven.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor een Bbz-uitkering wordt afgewezen omdat de onderneming niet levensvatbaar is.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/2629

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], verzoekster, en haar partner
[verzoeker], verzoeker, beiden uit [woonplaats] ,
samen te noemen: verzoekers,
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam

(gemachtigde: mr. S. Duinhouwer).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de aanvraag van verzoekers om een uitkering voor levensonderhoud en bedrijfskapitaal op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 [1] (Bbz-uitkering). Het college heeft de aanvraag afgewezen op de grond dat de onderneming van verzoekers niet levensvatbaar is. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van het college en wijst in deze uitspraak het verzoek af.
Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

1. Verzoekster heeft op 5 november 2025 een aanvraag gedaan voor een Bbz-uitkering voor levensonderhoud en Bbz-bedrijfskapitaal tot een bedrag van € 150.000,-. Deze aanvraag heeft zij vervolgens weer ingetrokken, omdat haar ex-partner nog bij het college geregistreerd stond, waardoor het voor haar niet mogelijk was een aanvraag in te dienen met haar huidige partner (verzoeker).
1.1.
Op 3 december 2025 hebben verzoekers gezamenlijk een nieuwe aanvraag gedaan voor een Bbz-uitkering voor levensonderhoud en Bbz-bedrijfskapitaal, tot een bedrag van € 250.000,-. Het college heeft deze aanvraag beoordeeld naar de situatie op 5 november 2025. Met het besluit van 11 februari 2026 heeft het college de aanvraag afgewezen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
2. Verzoekers zijn partners, zowel zakelijk als privé, en gevestigde ondernemers. In 2023 zijn verzoekers gestart met de horecaonderneming (restaurant) ‘ [onderneming 1] BV’ in [locatie 1] . De onderneming staat sinds 29 september 2023 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Verzoekers zijn eind 2023 gestart met het verkrijgen van een financiering voor de feitelijke start van de onderneming. De financiering is verkregen maar het restaurant is niet volgens planning medio 2024 geopend. Vanwege een conflict met twee aannemers zijn de verbouwingswerkzaamheden (nog steeds) niet volledig uitgevoerd. Ook is sprake van een geschil met de verhuurder van het pand over de aanleg van een afzuigingsinstallatie met een grotere capaciteit. Daarom is het restaurant op dit moment nog niet volledig operationeel. Verzoekers exploiteren, sinds 18 april 2025, alleen het terras. Omdat nog niet met tafelservice kan worden gewerkt, is vooralsnog sprake van zelfbediening. Als gevolg hiervan zijn een financieringstekort en betalingsachterstanden ontstaan. Dit heeft verzoekers doen besluiten de onderhavige aanvraag in te dienen.
2.1.
Bij brief van 19 december 2025 heeft het college verzoekers om aanvullende (financiële) informatie verzocht. Op 30 december 2025 hebben verzoekers de gevraagde stukken overgelegd en daarbij toegezegd dat de winst- en verliesrekening van [bedrijf] BV (het bedrijf van verzoeker) snel wordt nagezonden. Bij brief van 13 januari 2026 heeft het college nogmaals om nadere informatie verzocht. Op 27 januari 2026 hebben verzoekers de gevraagde stukken ingeleverd, behalve de winst- en verliesrekening van [bedrijf] BV.
2.2.
Het Regionaal Bureau Zelfstandigen (RBZ) van de gemeente Rotterdam heeft namens het college onderzoek gedaan naar de Bbz-aanvraag van verzoekers en het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) gevraagd om advies uit te brengen over de levensvatbaarheid van de onderneming. Het IMK heeft op 30 januari 2026 een adviesrapport uitgebracht. In dit adviesrapport komt het IMK op basis van het bedrijfseconomisch onderzoek tot de conclusie dat de onderneming van verzoekers niet levensvatbaar is. Het IMK heeft het RBZ daarom geadviseerd de Bbz-aanvraag af te wijzen en verzoekers daarbij geadviseerd het faillissement van de onderneming aan te vragen en het bedrijf te beëindigen.
Waar gaat deze zaak om?
3. Het college heeft naar aanleiding van het IMK-advies de Bbz-aanvraag afgewezen, op de grond dat de onderneming van verzoekers niet levensvatbaar is. Niet levensvatbaar wil in dit verband zeggen dat het college verwacht dat na bijstandverlening het inkomen van verzoekers niet toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf en voor de voorziening in de kosten van het bestaan. [2]
4. Verzoekers kunnen zich met dit besluit en het daaraan ten grondslag liggende IMK-advies niet verenigen. Zij willen met hun verzoek bereiken dat hen vooralsnog een Bbz-uitkering, of een voorschot daarop, wordt toegekend (tot op het bezwaar is beslist).
Spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen als sprake is van ‘onverwijlde spoed’, dus als een besluit op het bezwaar niet kan worden afgewacht.
5.1.
Verzoekers voeren aan dat zij op dit moment over onvoldoende financiële middelen beschikken om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien en de hypotheek voor hun woning in [woonplaats] te kunnen betalen. Hierdoor dreigen zij hun woning te verliezen. Daarnaast hebben verzoekers het bedrijfskapitaal dringend nodig om de afbouw en afronding van de onderneming te financieren en de bedrijfsactiviteiten volledig te kunnen hervatten, zodat er (meer) omzet kan worden gedraaid. De voorzieningenrechter neemt op grond hiervan het spoedeisend belang wel aan en zal de zaak inhoudelijk beoordelen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
6. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Dit beoordeelt de voorzieningenrechter aan de hand van de gronden van verzoekers.
Levensvatbaarheid
7. Tussen partijen is in geschil of de onderneming van verzoekers als levensvatbaar in de zin van artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 is aan te merken. Omdat het hier gaat om een aanvraag rust de bewijslast van levensvatbaarheid naar vaste rechtspraak op verzoekers.
8. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bbz 2004 kan algemene bijstand worden verleend aan de zelfstandige die gedurende een redelijke termijn als zodanig werkzaam is geweest en wiens bedrijf of zelfstandig beroep levensvatbaar is. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat aan deze zelfstandige bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal kan worden verleend.
9. Een levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep is volgens artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 het bedrijf waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan. Dit betekent dat het inkomen toereikend dient te zijn om aan alle aflossingsverplichtingen te voldoen, daaronder begrepen de lening op grond van het Bbz 2004, dat voldoende middelen beschikbaar dienen te zijn om het bedrijf op peil te houden en dat wordt voorzien in de kosten van het bestaan. [3]
10. Voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf is bepalend de situatie van het bedrijf ten tijde van het besluit op de aanvraag, in dit geval dus 11 februari 2026. Met eventuele ontwikkelingen na dat tijdstip wordt geen rekening gehouden. Het gaat om de verwachting op een bepaald moment over de toekomst van het bedrijf. [4]
11. Volgens vaste rechtspraak mag het college zich voor vragen over de levensvatbaarheid van bedrijven baseren op concrete adviezen van deskundige instanties als het IMK. Het college mag bij de besluitvorming daarom in beginsel uitgaan van het advies van het IMK, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies of de juistheid ervan. [5]
12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat die aanknopingspunten er niet zijn. Verzoekers hebben aangevoerd dat de informatie die zij bij hun aanvraag hebben overgelegd, en waarop het IMK-advies is gebaseerd, niet correct en niet volledig was. Verzoekers hebben het IMK om uitstel gevraagd voor het aanbrengen van aanvullingen en correcties en daarbij verzocht om te wachten met het uitbrengen van een advies tot de juiste financiële gegevens in het rapport zijn verwerkt. Vervolgens hebben zij, naar eigen zeggen, uitstel gekregen (tot 4 maart 2026). Het IMK heeft deze termijn echter niet afgewacht en al op 30 januari 2026 een adviesrapport uitgebracht. Vervolgens heeft het college op 11 februari 2026 het bestreden besluit genomen. Het besluit berust volgens verzoekers daarmee op een rapport dat is opgesteld op basis van onjuiste en onvolledige gegevens.
12.1.
De voorzieningenrechter ziet hierin geen grond voor het oordeel dat het IMK-advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Uitgangspunt is dat de aanvrager bij zijn of haar aanvraag de gegevens en bescheiden verschaft die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij of zij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Met de brieven van 19 december 2025 en 13 januari 2026 is verzoekers twee keer een termijn gegeven voor het indienen van aanvullende gegevens. Op het moment dat er, volgens het RBZ, voldoende stukken waren overgelegd om een onderzoek naar de levensvatbaarheid van de onderneming te laten uitvoeren heeft het RBZ de aanvraag doorgezet naar het IMK. Pas tijdens de uitvoering van het levensvatbaarheidsonderzoek door het IMK bleek (na vragen van de zijde van het IMK) dat de boekhouding van verzoekers niet volledig en correct was. Het IMK gaf echter aan dat het op basis van de voorliggende stukken goed in staat was om een advies uit te brengen over de levensvatbaarheid van de onderneming. Zoals gemotiveerd in het rapport van het IMK zou de correctie van de administratie op onderdelen niet tot een andere uitkomst hebben geleid vanwege de structurele exploitatie- en financieringsbelemmeringen. De voorzieningenrechter ziet daarom geen grond voor het oordeel dat het IMK-rapport onjuist of onvolledig is.
12.2.
Overigens hebben verzoekers na de hoorzitting van 13 maart 2026 nog de gelegenheid gekregen om hun stellingen nader te motiveren, een toelichting te geven over de tweede woning in [land] en om aanvullende gegevens over te leggen. Verzoekers hebben hierop niet binnen de gestelde termijn(en) gereageerd. Uiteindelijk hebben verzoekers op de zittingsdag (7 mei 2026) nog 17 stukken ingediend. De voorzieningenrechter beschouwt deze stukken als te laat ingediend en zal deze daarom, wegens strijd met de goede procesorde, niet in de beoordeling betrekken.
13. Verder hebben verzoekers vraagtekens gesteld bij de deskundigheid van de financieel adviseur van het IMK. Verzoekers herkennen zich niet in het beeld dat in het adviesrapport van hen en van hun onderneming wordt geschetst. Bij verzoekers is daarom de indruk ontstaan dat de financieel adviseur het concept van hun horecaonderneming niet goed heeft begrepen. Mede als gevolg daarvan zijn de margestructuur, de omzet en potentie en het financiële vermogen onjuist ingeschat en beoordeeld. Verzoekers draaien met een uniek concept dat geheel anders is dan het concept van een full service restaurant, zoals dat in het rapport is beoordeeld. Hun eigen marges en inkoopkosten zijn bijvoorbeeld veel lager dan bij een full service restaurant het geval is. Verzoekers werken (nog) niet met personeel, tafelservice en serviesgoed op tafel. Verder is de financieel adviseur eraan voorbij gegaan dat verzoekers met hun onderneming op een A-locatie zitten, dicht bij het strand van [locatie 2] . In de afgelopen zomerperiode kwamen op ‘piekdagen’ meer klanten binnenlopen dan het aantal beschikbare zitplaatsen. Verzoekers hebben in deze periode een omzet gedraaid van € 145.000,-, terwijl alleen het terras werd geëxploiteerd en er alleen op zaterdag en zondag werd gewerkt. Zij verwachten dan ook dat de taakstellende omzet van € 45,- per gast wel haalbaar is. De financieel adviseur heeft daarbij volgens verzoekers miskend dat zij twintig jaar horeca-ervaring hebben.
13.1.
Uit het IMK-adviesrapport komen onder meer en voor zover relevant de volgende bevindingen naar voren.
  • De actuele kredietbehoefte van verzoekers ligt boven de maximaal mogelijke Bbz-lening van € 253.000.
  • De berekende taakstellende omzet van € 3.178.800 is volgens de berekening van het IMK niet haalbaar. Bij een taakstellende jaaromzet van ongeveer 3,2 miljoen euro en een gemiddelde besteding van € 45 per gast zijn gemiddeld ongeveer 235 couverts per dag vereist. Gezien de structurele capaciteit van ongeveer 100 binnenzitplaatsen impliceert dit een jaarrond gemiddelde omloopsnelheid van ruim 2,35 per zitplaats per dag. Dit wordt in de praktijk als zeer hoog en onvoldoende robuust beoordeeld. Daarbij is sprake van een sterke afhankelijkheid van seizoensgebonden serrecapaciteit.
  • In de aangeleverde prognoses wordt de inkoop onderschat (op basis van marktgemiddelde en exploitatieresultaten in 2025). De huurkosten zijn te laag opgenomen. De aflossingen aan alle leningen zijn te laag opgenomen. De omzet is te hoog ingeschat op basis van een relatief beperkt aantal zitplaatsen en aanwezige seizoensinvloeden.
  • De financiële problemen van verzoekers zijn mede het gevolg van het starten met te weinig financiële middelen, keuzes in de aansturing van aannemers en het betalingsgedrag ten opzichte van deze partijen. Er is sprake van vooruitbetalingen zonder evenredige voortgang van werkzaamheden en onvoldoende contractuele borging. IMK kwalificeert deze omstandigheden als normaal ondernemersrisico. Dit vormt geen grond voor de inzet van publieke middelen.
  • Verder stelt het IMK vast dat verzoekster in 2023 haar hypotheek op de woning aan [straat] heeft verhoogd om een woning in [land] te kopen. De hypotheeklasten voor de woning in [land] bedragen € 1.711,46 per maand en de overdrachtsbelasting bedroeg € 24.721. Dit maandbedrag gaat nu naar de woning, terwijl verzoekers dit ook aan hun bedrijf hadden kunnen uitgeven. Een tweede woning in het buitenland wordt door het IMK bovendien gezien als niet-noodzakelijk privévermogen. Ondanks dat verzoekster heeft aangegeven de woning niet te willen verkopen, ziet het IMK de woning wel als een voorliggende voorziening op een Bbz-uitkering.
13.2.
De kritische kanttekeningen die verzoekers bij de bevindingen in het rapport hebben geplaatst, zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om de conclusies in het rapport te weerleggen. Verzoekers hebben hun stellingen niet met bewijsstukken, of met een eigen deskundigenrapport, onderbouwd. Bovendien zijn de feiten en omstandigheden die verzoekers aan de kanttekeningen bij het rapport ten grondslag hebben gelegd door het IMK kenbaar meegenomen en bij de beoordeling van de levensvatbaarheid van de onderneming betrokken. Het IMK heeft zich daarbij mede gebaseerd op marktgemiddelden en de exploitatiecijfers over 2025. Niet is gebleken dat het IMK bij de beoordeling van de levensvatbaarheid van de onderneming van een onjuist horecaconcept is uitgegaan. Bij de exploitatiecijfers over 2025 is het IMK uitgegaan van de situatie dat verzoekers sinds 18 april 2025 alleen het terras van het restaurant gebruiken waar met zelfbediening wordt gewerkt. Bij de prognoses gaat het IMK wel uit van een full service restaurant met gebruikmaking van binnenzitplaatsen, maar verzoekers gaan in hun prognoses zelf ook uit van de situatie dat na afronding en afbouw de capaciteit van de onderneming volledig (dus inclusief binnenzitplaatsen) kan worden benut en er met full service (met hogere marges) zal worden gewerkt. Het IMK heeft verder voldoende rekening gehouden met de ligging van het restaurant (op een A-locatie), maar heeft hierbij ook betrokken dat bij horecagelegenheden als deze sprake is van een sterke afhankelijkheid van seizoensgebonden serrecapaciteit en aanwezige seizoensinvloeden, de weersomstandigheden daaronder begrepen.
13.3.
Verzoekers hebben hun stelling dat zij ondanks de seizoensinvloeden en het beperkt aantal zitplaatsen in de afgelopen zomerperiode een omzet van ongeveer € 145.000,- hebben gedraaid, onvoldoende onderbouwd. Over de door verzoekers overgelegde exploitatiecijfers die zien op de periode 18 april tot en met september 2025 heeft het IMK toegelicht dat deze geen volledig beeld geven van de werkelijke kosten nu de structurele huisvestingslasten niet zijn opgenomen. Hierdoor is het gepresenteerde resultaat niet representatief en wordt de werkelijke verliespositie substantieel onderschat. Een dergelijke omzet zou bovendien op zichzelf nog niet tot de conclusie leiden dat de onderneming van verzoekers wel levensvatbaar is. Het IMK heeft geconstateerd dat verzoekers ook in hun prognoses de huurkosten te laag hebben begroot en de aflossingen aan alle leningen te laag hebben opgenomen, terwijl sprake is van hoge (privé)schulden en betalingsachterstanden. Het IMK heeft daarom ingeschat dat de actuele kredietbehoefte van verzoekers hoger is dan de maximaal mogelijke Bbz-lening van € 253.000. Al daarom is onzeker of het inkomen van verzoekers, (ook) na bijstandverlening toereikend zal zijn om aan alle aflossingsverplichtingen te voldoen, de onderneming op peil te houden en te voorzien in de kosten van het bestaan.
13.4.
Daarbij is verder nog van belang dat de financiële problemen van verzoekers mede het gevolg zijn van het starten met te weinig financiële middelen, conflicten met twee aannemers en het betalingsgedrag ten opzichte van deze partijen. Er is sprake van vooruitbetalingen zonder evenredige voortgang van werkzaamheden en onvoldoende contractuele borging. Het IMK kwalificeert deze omstandigheden terecht als normaal ondernemersrisico. Dit vormt geen grond voor de inzet van publieke middelen, zoals een Bbz-uitkering.
13.5.
Uit het voorgaande volgt dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake is van concrete aanknopingspunten om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en juistheid van het advies van het IMK. Dit betekent dat het college bij de besluitvorming heeft kunnen uitgaan van dit advies en zich op basis van de conclusies van het bedrijfseconomisch onderzoek van het IMK op het standpunt heeft kunnen stellen dat de onderneming van verzoekers niet levensvatbaar is.
Evenredigheid
14. Verzoekers voeren verder aan dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met hun persoonlijke belangen en geen maatwerk heeft geleverd. Zij stellen daartoe dat met het bestreden besluit onvoldoende rekening wordt gehouden met hun persoonlijke omstandigheden, waaronder het bouwconflict met de aannemers en de zorg voor hun gezin. Daarnaast loopt er een procedure met de vereniging van eigenaren over de woning aan [straat] en wil de bank overgaan tot taxatie van die woning. Daarmee bestaat een reëel risico dat zij hun woning in Nederland (en mogelijk ook die in [land] ) zullen verliezen. Volgens verzoekers kunnen zij de woning in [land] niet onmiddellijk te gelde maken, onder meer omdat de woning op dit moment door familie wordt bewoond. Bovendien kan de overwaarde niet worden benut, omdat daarvoor financiering nodig is. Inmiddels zien verzoekers zich genoodzaakt het faillissement van hun onderneming [onderneming 2] aan te vragen, terwijl de schulden oplopen en er volgens verzoekers voor hen een onomkeerbare situatie dreigt te ontstaan.
14.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat artikel 2 van Pro het Bbz 2004 in beginsel geen ruimte laat voor een belangenafweging. Uitgangspunt is dat in het geval van een niet levensvatbaar bedrijf geen aanspraak kan worden gemaakt op een Bbz-uitkering en/of bedrijfskapitaal. De door verzoekers naar voren gebrachte omstandigheden zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aan te merken als bijzondere omstandigheden op grond waarvan toepassing van artikel 2 van Pro het Bbz 2004 in dit geval onredelijk bezwarend is. De voorzieningenrechter weegt hierbij mee dat op de zitting is gebleken dat er nog andere mogelijkheden zijn voor verzoekers om aan de benodigde financiering voor hun bedrijf en de aflossing van hun schulden, zoals de hypotheekachterstand, te komen. Zo is op de zitting gebleken dat verzoekers hun vordering(en) op de aannemers te gelden kunnen maken. Daarnaast beschikken zij over een tweede woning in [land] die zij zouden kunnen verkopen. Vooralsnog is niet gebleken dat de verkoop van de woning in [land] niet (op korte termijn) haalbaar is.
15. Uit het voorgaande volgt dat het bezwaar vooralsnog geen redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter ziet daarom op dit moment geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

16. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekers geen Bbz-uitkering krijgen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskosten-veroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004).
2.Artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 24 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:516 en 24 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:194.
4.Bijvoorbeeld de uitspraak van 24 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:516, en 24 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:194.
5.Bijvoorbeeld de uitspraak van 19 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1639, en 18 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4314.