Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7004

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
ROT 23/7705
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 AwirArt. 6:19 AwbArtikel I, aanhef en onder b, Wet verbetermaatregelen toeslagenArtikel VI Wet verbetermaatregelen toeslagenBesluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek zorgtoeslag wegens overschrijding wettelijke termijn

Eiseres verzocht om herziening van het recht op zorgtoeslag en kindgebonden budget over het jaar 2021, omdat haar partner sinds april 2021 in een zorginstelling verblijft en geen toeslagpartner meer is. De Dienst Toeslagen wees het verzoek af omdat de aanvraag pas na de wettelijke termijn van 31 december 2022 werd ingediend.

De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen terecht het verzoek heeft afgewezen, omdat het een gebonden beschikking betreft op grond van een wet in formele zin, waarbij geen beleidsruimte bestaat om af te wijken van de termijn. De rechtbank toetst het besluit daarom niet aan het evenredigheidsbeginsel. Eiseres' beroep is ongegrond.

Wel is vastgesteld dat de procedure langer dan de redelijke termijn heeft geduurd, met een overschrijding van negen maanden. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding van € 1.000,- toe aan eiseres wegens immateriële schade door de overschrijding.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank de Dienst Toeslagen en de Staat tot vergoeding van de proceskosten van eiseres. Het beroep tegen het eerdere bestreden besluit is niet-ontvankelijk omdat dit besluit is vervangen.

De uitspraak is gedaan door rechter Ferwerda op 27 mei 2026 en is openbaar.

Uitkomst: Het beroep tegen het herzieningsbesluit zorgtoeslag is ongegrond verklaard, maar eiseres krijgt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/7705

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Ouwerkerk-Hoogendonk),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).
en

de Staat der Nederlanden (de Staat).

Samenvatting

1. De Dienst Toeslagen heeft het herzieningsverzoek van eiseres over het recht op zorgtoeslag voor het toeslagjaar 2021 afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen dat terecht gedaan. Eiseres heeft pas na de wettelijke termijn een aanvraag ingediend. Omdat de wetgever de situatie van eiseres heeft onderkend en de Dienst Toeslagen geen beleidsruimte heeft bij het toepassen van de termijn, mag de rechtbank het besluit van de Dienst Toeslagen niet toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Het beroep is ongegrond. Eiseres heeft wel recht op een schadevergoeding van € 1.000,- vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Procesverloop

2. Met het besluit van 25 juli 2023 heeft de Dienst Toeslagen het verzoek van eiseres om herziening van het recht op kindgebonden budget en zorgtoeslag afgewezen.
2.1.
Met het besluit van 16 oktober 2023 (het bestreden besluit 1) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 25 juli 2023 ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1.
2.3.
Met het besluit van 9 januari 2026 (het bestreden besluit 2) heeft de Dienst Toeslagen het bestreden besluit 1 vervangen en het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 25 juli 2023 gegrond verklaard. Het beroep heeft van rechtswege betrekking op het bestreden besluit 2. [1]
2.4.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 22 januari 2026. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van de bestreden besluiten
3. Eiseres heeft een verzoek gedaan om herziening van het recht op kindgebonden budget en zorgtoeslag voor het toeslagjaar 2021. De partner van eiseres woont sinds 16 april 2021 in een zorginstelling en is sinds die datum geen toeslagpartner meer van eiseres. Met het besluit van 25 juli 2023 heeft de Dienst Toeslagen het verzoek afgewezen, omdat eiseres pas na 1 september 2022 een aanvraag had ingediend voor het kindgebonden budget en zorgtoeslag. Met het bestreden besluit 1 is de Dienst Toeslagen daarbij gebleven. Met het bestreden besluit 2 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat het kindgebonden budget in 2014 niet op de juist manier is gestopt en het bezwaar van eiseres in zoverre gegrond verklaard. Met een besluit van 21 januari 2026 heeft de Dienst Toeslagen het recht van eiseres op kindgebonden budget voor het toeslagjaar 2021 vastgesteld op € 3.957,-.
Bestreden besluit 1
4. Het bestreden besluit 1 is vervangen door het bestreden besluit 2. Eiseres heeft geen belang meer bij de vernietiging van het bestreden besluit 1. Het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit 1, is daarom niet-ontvankelijk.
Bestreden besluit 2
5. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen het verzoek om herziening van het recht op zorgtoeslag ten onrechte heeft afgewezen. Hoewel de partner van eiseres al sinds 16 april 2021 in een zorginstelling verblijft, wist eiseres pas in 2023 dat dit betekende dat hij niet meer als toeslagpartner hoeft te worden aangemerkt en zij aanspraak kon maken op het kindgebonden budget en zorgtoeslag. Zij heeft daarom niet eerder een aanvraag ingediend. Eiseres heeft in mei 2023 hulp gezocht voor haar situatie, maar door omstandigheden die niet aan eiseres te wijten zijn, kon zij pas in juli 2023 een brief aan de Dienst Toeslagen sturen. Het besluit van de Dienst Toeslagen is in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De wetgever heeft de bijzondere situatie van eiseres niet voorzien. Eiseres doet een beroep op de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van 25 mei 2022 [2] en het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 26 maart 2024. [3]
5.1.
Voor de beoordeling van het beroep zijn de volgende regels van belang. Een aanvraag om een tegemoetkoming met betrekking tot een berekeningsjaar kan tot en met 31 december van het jaar volgend op het berekeningsjaar worden ingediend bij de Dienst Toeslagen. [4] Een gebonden beschikking op grond van een wet in formele zin kan alleen worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. [5]
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen het verzoek van eiseres om herziening van het recht op zorgtoeslag terecht afgewezen. De wetgever heeft de termijn voor het doen van een aanvraag per 1 januari 2026 verlengd tot 31 december volgend op het berekeningsjaar, uitdrukkelijk met het oog op de situatie dat een burger vanwege een
life eventof de complexiteit van het stelsel langer de tijd nodig heeft om een aanvraag te doen. [6] Eiseres heeft pas na deze termijn een aanvraag om zorgtoeslag ingediend. Omdat de wetgever de situatie van eiseres heeft onderkend en de Dienst Toeslagen geen beleidsruimte heeft bij het toepassen van de termijn, mag de rechtbank het bestreden besluit 2 niet toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. De uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 25 mei 2022 is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigd. [7] De uitspraak van het CBb van 26 maart 2024 gaat over de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van een gebonden beschikking op grond van een algemeen verbindend voorschrift dat geen wet in formele zin is. [8] Die situatie is in deze zaak niet aan de orde, omdat het bestreden besluit 2 berust op artikel 15 van Pro de Awir, een wet in formele zin. De beroepsgrond slaagt niet.
Schadevergoeding
6. Eiseres heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Zaken moeten binnen een redelijke termijn worden berecht. Als uitgangspunt is de redelijke termijn twee jaar, gerekend vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door de Dienst Toeslagen tot de uitspraak van de rechtbank. Bij overschrijding van de redelijke termijn wordt verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie, tenzij het financiële belang bij de procedure zeer gering is. [9]
6.1.
Het bezwaarschrift is ontvangen op 18 augustus 2023. Op de datum van de uitspraak is de redelijke termijn afgerond met negen maanden overschreden.
6.2.
De rechtbank acht het aannemelijk dat het financiële belang van eiseres bij de procedure meer dan € 1.000,- bedraagt. Eiseres heeft daarom recht op een schadevergoeding. [10]
6.3.
De hoogte van de schadevergoeding is € 500,- per half jaar, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Omdat de redelijke termijn met negen maanden is overschreden, heeft eiseres recht op een schadevergoeding van € 1.000,-. De bezwaarfase mocht zes maanden duren. [11] Het bestreden besluit 1 is bekendgemaakt op 16 oktober 2023, afgerond twee maanden na ontvangst van het bezwaarschrift. De overschrijding van de redelijke termijn is dus volledig toe te rekenen aan de Staat. Dit betekent dat de Staat een schadevergoeding van € 1.000,- aan eiseres moet betalen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit 1, is niet-ontvankelijk. Het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit 2, is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Zij heeft wel recht op een schadevergoeding van € 1.000,-.
7.1.
Omdat de Dienst Toeslagen het bestreden besluit 1 heeft vervangen door het bestreden besluit 2, veroordeelt de rechtbank de Dienst Toeslagen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). De Dienst Toeslagen moet om dezelfde reden ook het door eiseres betaalde griffierecht van € 50,- vergoeden.
7.2.
Eiseres heeft daarnaast recht op vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). De zaak, voor zover die gaat over het verzoek om schadevergoeding, is van licht gewicht, omdat de zaak in zoverre alleen gaat over de vraag of de redelijke termijn is overschreden. [12] Omdat de overschrijding van de redelijke termijn volledig is toe te rekenen aan de Staat, moet de Staat deze proceskosten aan eiseres vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit 1, niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit 2, ongegrond;
  • veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding van € 1.000,- aan eiseres;
  • bepaalt dat de Dienst Toeslagen het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiseres vergoedt;
  • veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-;
  • veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van G.J. Machwirth, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Artikel 15, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) en artikel I, aanhef en onder b, en artikel VI van de Wet verbetermaatregelen toeslagen en aanpassing termijnen hersteloperatie toeslagen.
5.ABRvS 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.
7.ABRvS 16 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3125.
8.CBb 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190, r.o. 2.1 tot en met 2.3.
9.HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
10.HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3.
11.HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.11.1.
12.Zie bijv. ABRvS 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1342.