ECLI:NL:RBROT:2026:694

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
25/3717
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 lid 3 WerkloosheidswetArt. 7:672 lid 1 Burgerlijk WetboekArt. 7:672 lid 2 Burgerlijk WetboekArt. 3:46 Algemene wet bestuursrechtArt. 6:22 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ingangsdatum WW-uitkering na beëindiging dienstverband met vaststellingsovereenkomst

Eiser heeft een WW-uitkering aangevraagd met een ingangsdatum van 3 maart 2025, maar het UWV kende deze toe met ingang van 1 april 2025. Eiser betwistte deze datum en stelde dat de beëindiging van zijn dienstverband schriftelijk was overeengekomen op 29 januari 2025, waardoor de uitkering eerder had moeten ingaan.

De rechtbank oordeelt dat op 29 januari 2025 nog geen volledige schriftelijke overeenstemming was bereikt over de beëindiging van het dienstverband, omdat partijen hadden afgesproken dat de voorwaarden in een vervolgovereenkomst nader zouden worden vastgesteld. De volledige overeenstemming werd pas bereikt met de vaststellingsovereenkomst van 13 februari 2025.

De rechtbank bevestigt dat de datum van volledige schriftelijke overeenstemming geldt als datum van opzegging volgens artikel 19, derde lid, van de Werkloosheidswet. Gezien de opzegtermijn van één maand en de opzegging tegen het einde van de maand, is de ingangsdatum van 1 april 2025 terecht vastgesteld.

Hoewel het UWV in het bestreden besluit verwees naar jurisprudentie zonder specifieke uitspraken te noemen, wat een motiveringsgebrek opleverde, is dit gebrek hersteld in het verweerschrift. De rechtbank passeert dit gebrek en veroordeelt het UWV tot vergoeding van griffierecht en reiskosten van eiser.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en de ingangsdatum van de WW-uitkering blijft 1 april 2025.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de ingangsdatum van de WW-uitkering wordt ongegrond verklaard en de uitkering gaat in op 1 april 2025.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3717

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats] , eiser,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. T. Eversteijn).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een aan eiser met ingang van 1 april 2025 toegekende uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Eiser is het niet eens met de ingangsdatum en vindt dat het UWV de WW-uitkering toe had moeten kennen met ingang van 1 maart 2025. Daartoe voert eiser beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de WW-uitkering terecht met ingang van 1 april 2025 heeft toegekend. Wel is sprake van een motiveringsgebrek. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 4 maart 2025 (het primaire besluit) heeft het UWV aan eiser een WW-uitkering toegekend voor de periode van 1 april 2025 tot en met 15 december 2026. Tegen dit besluit is door eiser bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het besluit van 7 april 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is door eiser beroep ingesteld.
2.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Eiser heeft een aanvullend beroepschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 7 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Het UWV is zonder bericht van verhindering niet verschenen.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser had sinds 1 april 2020 een dienstverband bij [naam werkgever] (hierna: de werkgever). Op 29 januari 2025 heeft eiser een vaststellingsovereenkomst ondertekend. In deze overeenkomst komen eiser en de werkgever overeen dat het dienstverband van eiser bij de werkgever eindigt per 28 februari 2025. Op de laatste pagina van deze vaststellingsovereenkomst is met pen geschreven ‘dat de voorwaarden in goed overleg nader zullen worden vastgesteld in een vervolgvaststellingsovereenkomst’. Onder deze aanvulling staat de datum van 29 januari 2025 met de handtekening van eiser.
3.1.
Op 13 februari 2025 zijn eiser en de werkgever opnieuw een vaststellingsovereenkomst overeengekomen.
3.2.
Op 27 februari 2025 heeft eiser een WW-uitkering met ingangsdatum 3 maart 2025 aangevraagd.
3.3.
Met het besluit van 4 maart 2025 (het primaire besluit) heeft het UWV een WW-uitkering aan eiser toegekend vanaf 1 april 2025. Tegen dit besluit is door eiser bezwaar gemaakt.
3.4.
Met het besluit van 7 april 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is door eiser beroep ingesteld.

Standpunt eiser

4. In beroep voert eiser aan dat tussen hem en de werkgever op 29 januari 2025 schriftelijk overeenstemming is bereikt over het moment van beëindigen van zijn dienstverband. Om die reden geldt deze datum als de datum waarop het dienstverband wordt geacht te zijn opgezegd. Eiser vindt dat de WW-uitkering had moeten worden toegekend met ingang van 1 maart 2025 dan wel 3 maart 2025, omdat de opzegging is geschied tegen het einde van de maand en er een opzegtermijn van één maand gold. Bovendien is het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel van artikel 3:46 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb), omdat het UWV in het bestreden besluit verwijst naar jurisprudentie zonder de specifieke uitspraken waarop het besluit wordt gebaseerd te benoemen.

Toetsingskader

5. De wet- en regelgeving die van belang is voor deze zaak, staat in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

6. Partijen zijn het erover eens dat opzegging geschiedt tegen het einde van de maand en dat de opzegtermijn in het geval van eiser één maand bedraagt.
6.1.
In artikel 19, derde lid, Werkloosheidswet is bepaald dat de datum waarop de beëindiging van het dienstverband schriftelijk is overeengekomen heeft te gelden als datum waarop het dienstverband wordt geacht te zijn opgezegd. De rechtbank constateert dat eiser onderscheid maakt tussen de datum waarop schriftelijk overeenstemming is bereikt over het moment van beëindigen van zijn dienstverband en de datum waarop overeenstemming is bereikt over de daarvoor geldende voorwaarden. Daarmee maakt hij feitelijk een onderscheid dat de wet niet kent en dat de rechtbank niet zonder meer kan volgen.
6.2.
Het UWV heeft in het verweerschrift onder andere op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) van 7 november 2012 gewezen. [1] Uit deze uitspraak volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de Raad de datum waarop voor het eerst “volledige, schriftelijke overeenstemming is bereikt over de beëindiging van het dienstverband en de daarvoor geldende voorwaarden” aanmerkt als de datum waarop de beëindiging van het dienstverband schriftelijk is overeengekomen. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in recentere jurisprudentie, waarin ook telkens wordt uitgegaan van “volledige overeenstemming” over het beëindigen van het dienstverband. [2]
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat met de op 29 januari 2025 ondertekende vaststellingsovereenkomst nog geen volledige overeenstemming was bereikt over het beëindigen van eisers dienstverband. Eiser heeft immers zelf op de laatste pagina van deze vaststellingsovereenkomst met pen erbij geschreven dat ‘de voorwaarden in goed overleg nader zullen worden vastgelegd in een vervolg vaststellingsovereenkomst’. Bovendien verschilt de vaststellingsovereenkomst van 13 februari 2025 op verschillende punten ten opzichte van de eerdere vaststellingsovereenkomst. Op 29 januari 2025 was dus nog geen sprake van “volledige overeenstemming” of “een onderhandelingsresultaat waaraan eiser en zijn werkgever gebonden waren en waardoor zij vanaf dat moment niet langer de vrijheid hadden om nog wijzigingen aan te brengen in de overeenkomst”. [3]
6.4.
Daar komt bij dat het UWV er terecht op heeft gewezen dat wanneer eiser en de werkgever na 29 januari 2025 niet tot overeenstemming waren gekomen over de (nadere) voorwaarden waaronder het dienstverband werd beëindigd, dit dienstverband wel langer zou moeten duren, namelijk totdat hierover wél overeenstemming kon worden bereikt. Eiser heeft tijdens de zitting beaamd dat hij zich, totdat overeenstemming werd bereikt over deze (nadere) voorwaarden, in theorie op het standpunt had kunnen stellen dat nog steeds sprake was van een dienstverband met de werkgever. Hieruit volgt ook dat 29 januari 2025 niet kan gelden als de datum waarop volledige overeenstemming was bereikt over de beëindiging van het dienstverband.
6.5.
De rechtbank is met eiser wel van oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek, omdat het UWV in het bestreden besluit heeft opgenomen dat haar standpunt “uit de rechtspraak volgt” zonder daarbij de specifieke uitspraken te benoemen. De motivering is daarmee onvolledig. Ook heeft eiser hierdoor het standpunt van het UWV niet of in elk geval minder gemakkelijk op juistheid kunnen controleren.
6.6.
Het UWV heeft de specifieke uitspraken waarop zij zich heeft gebaseerd wel in het verweerschrift van 2 september 2025 genoemd. Daarmee is het gebrek door het UWV hersteld. Eiser heeft hierdoor ook geen nadeel ondervonden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. De rechtbank ziet hierin wel aanleiding om te bepalen dat het UWV het door eiser betaalde griffierecht vergoedt en de door hem gemaakte proceskosten in de vorm van gemaakte reiskosten betaalt.
6.7.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het UWV terecht is uitgegaan van 13 februari 2025 als datum waarop de beëindiging van het dienstverband voor het eerst schriftelijk is overeengekomen en dus als datum waarop het dienstverband wordt geacht te zijn opgezegd. Gelet op de opzegging tegen het einde van de maand en de opzegtermijn van één maand heeft het UWV de WW-uitkering terecht per 1 april 2025 aan eiser toegekend.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Wel moet het UWV het door eiser betaalde griffierecht vergoeden en de door hem gemaakte reiskosten betalen, omdat de rechtbank toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van Pro de Awb.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • bepaalt dat het UWV het door eiser betaalde griffierecht van € 53,- vergoedt;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 5,86.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. de Vries, rechter, in aanwezigheid van A. van Duijn, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Artikel 19, derde lid, van de Werkloosheidswet luidt:
Geen recht op uitkering heeft de werknemer zolang de rechtens geldende opzegtermijn niet is verstreken en de arbeidsovereenkomst is geëindigd door opzegging of doordat daarover schriftelijk overeenstemming is bereikt. Onder de rechtens geldende opzegtermijn wordt verstaan de termijn die de werkgever of de werknemer op grond van artikel 672 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of een overeenkomstige bepaling van soortgelijke regeling ieder voor zich bij opzegging in acht behoort te nemen. In geval de dienstbetrekking is geëindigd met wederzijds goedvinden, geldt de in de vorige zin genoemde opzegtermijn voor de werkgever. Als datum waarop de dienstbetrekking wordt geacht te zijn opgezegd, geldt de datum waarop:
a. de beëindiging schriftelijk is overeengekomen; of
b. de werkgever of de werknemer de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd.
Artikel 7:672, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek luidt:
Opzegging geschiedt tegen het einde van de maand, tenzij bij schriftelijke overeenkomst of door het gebruik een andere dag daarvoor is aangewezen.
Artikel 7:672, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek luidt:
De door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging bedraagt bij een arbeidsovereenkomst die op de dag van opzegging:
a. korter dan vijf jaar heeft geduurd: één maand;
b. vijf jaar of langer, maar korter dan tien jaar heeft geduurd: twee maanden;
c. tien jaar of langer, maar korter dan vijftien jaar heeft geduurd: drie maanden;
d. vijftien jaar of langer heeft geduurd: vier maanden.
Artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht:
Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Raad van 7 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY2391.
2.Zie de uitspraken van de Raad van 6 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2318, rechtbank Den Haag, 10 november 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:13458, rechtbank Oost-Brabant, 4 december 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:6084, ECLI:NL:RBAMS:2021:4765 en rechtbank Midden-Nederland, 8 november 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:4647.
3.Zie de uitspraken van de Raad van 6 oktober 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN9732, en 24 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5748.