ECLI:NL:CRVB:2013:2318
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging aanvang fictieve opzegtermijn bij vaststellingsovereenkomst
Appellante was sinds 1977 in dienst van haar werkgever en haar arbeidsovereenkomst eindigde op 1 augustus 2011 na ondertekening van een vaststellingsovereenkomst op 2 mei 2011. Zij ontving een beëindigingsvergoeding en was vanaf 1 mei 2011 vrijgesteld van werk met behoud van loon.
Appellante vroeg op 4 juli 2011 een WW-uitkering aan, maar het UWV stelde bij besluit van 14 juli 2011 vast dat zij tot en met 30 september 2011 geen recht had op WW vanwege een fictieve opzegtermijn van vier maanden die de werkgever in acht had genomen. Appellante maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna zij beroep instelde bij de rechtbank, die het bezwaar bevestigde.
In hoger beroep stelde appellante dat al op 31 maart 2011 volledige overeenstemming bestond over de beëindiging, maar de Raad oordeelde dat uit e-mailcorrespondentie bleek dat er toen nog geen definitieve instemming was, mede omdat de vaststellingsovereenkomst pas op 2 mei 2011 werd ondertekend. Dit moment voldeed aan de schriftelijkheidseis van artikel 16 WW Pro, waardoor de fictieve opzegtermijn vanaf die datum begon.
De Raad verwierp het beroep en bevestigde de eerdere uitspraak, waarbij geen proceskosten werden toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de fictieve opzegtermijn aanvangt op 2 mei 2011, het moment van ondertekening van de vaststellingsovereenkomst.