Eiseres en haar ex-partner stonden ingeschreven op hetzelfde adres en werden in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag voor bijstand als gehuwd aangemerkt, wat leidt tot een onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding. Eiseres verzocht om aanvullende bijstand, maar het college wees dit af en vorderde een eerder toegekend voorschot terug.
Eiseres voerde aan dat er geen sprake was van wederzijdse zorg en dat de terugvordering in strijd was met het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding niet door eiseres kon worden weerlegd en dat het evenredigheidsbeginsel niet toepasbaar is op dwingende wettelijke bepalingen.
De rechtbank stelde vast dat het college terecht de aanvraag afwees en het voorschot terugvorderde, omdat eiseres geen dringende redenen aannemelijk had gemaakt om van terugvordering af te zien. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.