Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4907

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
ROT 25/4369
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • F.P. Heijne
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7:1 AwbArt. 7:11 AwbArt. 8:1 AwbArt. 4 Wbk
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen afwijzing verzoek bejegeningsonderzoek Huis voor Klokkenluiders

Eiser verzocht het Huis voor Klokkenluiders om een bejegeningsonderzoek in te stellen naar de wijze waarop zijn ex-werkgever zich jegens hem heeft gedragen na een melding van een vermoedelijke misstand. Het Huis voor Klokkenluiders weigerde dit onderzoek op grond van het ontbreken van aannemelijke benadeling en de mededeling hiervan werd op 1 oktober 2024 aan eiser verstrekt.

Eiser maakte bezwaar tegen deze mededeling, maar het Huis voor Klokkenluiders verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat de mededeling geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser stelde dat op grond van Richtlijn 2019/1937 hem wel effectieve rechtsbescherming toekomt, waaronder bezwaar en beroep tegen deze mededeling.

De rechtbank oordeelt dat de mededeling geen besluit is omdat het geen rechtsgevolgen heeft zoals het ontstaan of tenietgaan van rechten of plichten. Richtlijn 2019/1937 biedt geen aanvullende bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen dergelijke mededelingen, aangezien nationale wetgeving elders effectieve rechtsbescherming regelt. De civiele rechter kan als restrechter worden benaderd.

Het verzoek tot heropening van het onderzoek werd afgewezen omdat de aangevoerde nieuwe feiten niet relevant waren voor de beoordeling van de ontvankelijkheid. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het griffierecht en proceskostenvergoedingen af.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar tegen de afwijzing van het bejegeningsonderzoek is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4369

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit Bergambacht, eiser

en

het bestuur van het Huis voor Klokkenluiders, verweerder

(gemachtigden: mr. T. Gillhaus en mr. E.W.V. Stevens).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiser tegen de mededeling dat het Huis voor Klokkenluiders geen bejegeningsonderzoek zal instellen. Eiser is het niet eens met de niet-ontvankelijkverklaring. Hij doet daarbij specifiek een beroep op de effectieve rechtsbescherming van Richtlijn 2019/1937. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Huis voor Klokkenluiders eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van een besluit waartegen bezwaar en beroep openstaat. Dat is niet in strijd met Richtlijn 2019/1937. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een verzoek ingediend om een bejegeningsonderzoek in te stellen. Het Huis voor Klokkenluiders heeft eiser op 1 oktober 2024 medegedeeld dat geen onderzoek wordt ingesteld. Met het bestreden besluit van 25 november 2024 heeft het Huis voor Klokkenluiders het bezwaar van eiser tegen de mededeling niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Huis voor Klokkenluiders heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigden van het Huis voor Klokkenluiders en [naam] namens het Huis voor Klokkenluiders.
2.3.
Na sluiting van het onderzoek heeft eiser op 22 april 2026 verzocht het onderzoek te heropenen vanwege nieuwe feiten en omstandigheden. De rechtbank heeft hierin geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen, omdat wat eiser heeft aangevoerd niet van belang kan zijn voor de beantwoording van de vraag of het Huis voor Klokkenluiders het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 30 maart 2024 verzoekt eiser het Huis voor Klokkenluiders om een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop zijn ex-werkgever (een gemeente) zich richting eiser heeft gedragen naar aanleiding van een melding van een vermoeden van een misstand (het bejegeningsonderzoek). [1]
3.1.
Met de mededeling van 1 oktober 2024 informeert het Huis voor Klokkenluiders eiser dat het geen bejegeningsonderzoek zal instellen (de mededeling). Het Huis voor Klokkenluiders wijst het verzoek af omdat het niet aannemelijk is dat eiser naar aanleiding van de vermoedelijke melding van een misstand is benadeeld door zijn ex-werkgever. [2]
3.2.
Op 7 november 2024 heeft eiser bezwaar gemaakt. Hij stelt dat de afwijzing in strijd is met de Wet bescherming klokkenluiders (Wbk), Richtlijn 2019/1937 [3] , mede gelet op de feiten en de ernst van de represailles waar eiser mee wordt geconfronteerd.
3.3.
Met het bestreden besluit van 25 november 2024 heeft het Huis voor Klokkenluiders het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Het Huis voor Klokkenluiders stelt dat geen sprake is van een besluit als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en verwijst daarbij naar de totstandkomingsgeschiedenis van de Wbk en relevante rechtspraak. [4] Omdat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, wordt eiser niet gehoord en krijgt eiser ook geen mogelijkheid zijn bezwaargronden aan te vullen.
Reikwijdte uitspraak
4. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak volgt dat bestuursrechters niet op alle aangevoerde gronden en argumenten hoeven in te gaan, maar zich mogen beperken tot de kern daarvan. [5] De rechtbank beperkt zich in deze uitspraak tot wat is aangevoerd over de vraag of het Huis voor Klokkenluiders het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Voor zover de gronden niet zijn gericht tegen het bestreden besluit, blijven deze gronden buiten bespreking.
Toetsingskader
5. Alleen tegen een besluit kan bezwaar worden gemaakt. [6] Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan die is gericht op rechtsgevolg. Dat betekent dat een besluit gevolgen heeft voor de rechten van de belanghebbende. [7] Als bezwaar is gemaakt tegen een brief of mededeling, die geen besluit is, is het bezwaar niet-ontvankelijk. Het bestuursorgaan hoeft het bezwaar dan niet inhoudelijk te behandelen. [8]
5.1.
Het relevante wettelijk kader van deze uitspraak is opgenomen in de bijlage.
Is de mededeling van 1 oktober 2024 een besluit in de zin van de Awb?
6. De rechtbank oordeelt dat de mededeling van het Huis voor Klokkenluiders van 1 oktober 2024 geen besluit is in de zin van de Awb. Uit rechtspraak volgt dat een besluit rechtsgevolgen heeft als daarmee een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen ontstaat of teniet wordt gedaan, dan wel de juridische status van een persoon of een zaak vaststelt. [9] Met de mededeling van 1 oktober 2024 heeft het Huis voor Klokkenluiders eiser geïnformeerd over de uitkomst van de beoordeling van het verzoek tot het instellen van een bejegeningsonderzoek. Het al dan niet instellen van onderzoek is niet gericht op rechtsgevolg en brengt geen bevoegdheid, recht of verplichting mee voor een of meer anderen en stelt ook niet de juridische status van een persoon of zaak vast. De wetgever heeft in de parlementaire geschiedenis ook expliciet aangegeven dat het niet de bedoeling is dat de beslissing om wel of niet onderzoek in te stellen naar een misstand of bejegening een besluit is waartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. [10] Ook in de rechtspraak is dit uitgangspunt onlangs weer bevestigd. [11] Daarbij wordt ook de vergelijking gemaakt met de klachtbehandeling in de Awb waartegen evenmin bezwaar of beroep openstaat. [12] Hoewel de rechtbank begrijpt dat de mededeling van het Huis voor Klokkenluiders gevolgen heeft voor eiser, zoals eiser ook ter zitting heeft toegelicht, zijn dat geen rechtsgevolgen als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en is voornoemde mededeling daarom geen besluit.
Biedt Richtlijn 2019/1937 bestuursrechtelijke rechtsbescherming?
7. Eiser bestrijdt niet dat de mededeling geen onderzoek te doen geen besluit is in de zin van de Awb, maar stelt dat uit artikel 22 van Pro Richtlijn 2019/1937 volgt dat hem integrale rechtsbescherming moet worden geboden. Daaronder valt volgens eiser onder andere de mogelijkheid tot het instellen van bezwaar en beroep tegen de mededeling om geen onderzoek in te stellen en het recht te worden gehoord.
7.1.
De rechtbank oordeelt dat – anders dan eiser stelt – artikel 22, eerste lid, van Richtlijn 2019/1937 geen grondslag kan vormen voor aanvullende bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen mededelingen van het Huis voor Klokkenluiders over het al dan niet instellen van een bejegeningsonderzoek. Voornoemde bepaling schrijft uitsluitend voor dat klokkenluiders in het kader van een melding recht hebben op effectieve rechtsbescherming. Hieruit kan niet worden afgeleid dat deze bescherming moet kunnen worden afgedwongen bij de bestuursrechter, als die mogelijkheid op grond van nationale wetgeving uitdrukkelijk niet wordt geboden. [13] Het Huis voor Klokkenluiders heeft ter zitting terecht gewezen op de mogelijkheid tot het starten van een procedure bij de civiele rechter als restrechter als eiser zich niet kan verenigen met de mededeling dat geen bejegeningsonderzoek wordt gestart.
7.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
7.3.
Het voorgaande betekent ook dat de rechtbank geen oordeel kan geven over de vraag of het Huis voor Klokkenluiders verplicht is om naar aanleiding van een melding een onderzoek in te stellen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het Huis voor klokkenluiders terecht heeft geoordeeld dat eiser niet-ontvankelijk is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van C. Gümüş, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: het wettelijk kader van deze uitspraak

Richtlijn 2019/1937
Artikel 11
2. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten:
(…)
c.
zorgvuldig opvolging geven aan meldingen;
3. De lidstaten kunnen bepalen dat bevoegde autoriteiten, na de zaak naar behoren te hebben beoordeeld, kunnen besluiten dat een gemelde inbreuk duidelijk van geringe betekenis is en krachtens deze richtlijn geen andere opvolging dan het afronden van de procedure vereist. Dit geldt onverminderd andere verplichtingen of andere toepasselijke procedures voor het behandelen van de gemelde inbreuk, en onverminderd de door deze richtlijn geboden bescherming in samenhang met interne of externe meldingen. In een dergelijk geval stellen de bevoegde autoriteiten de melder in kennis van hun beslissing en van de motivering daarvan.
Artikel 22
1. De lidstaten zorgen er overeenkomstig het Handvest voor dat de betrokkenen ten volle gebruik kunnen maken van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijk proces, het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging, waaronder het recht om te worden gehoord en het recht op toegang tot hun dossier.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:3
1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Artikel 7:1
1. Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij:
(…)
Artikel 7:11
1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.
Artikel 8:1
Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.
Wet bescherming klokkenluiders
Artikel 4
2. Een melder kan bij de afdeling onderzoek:
(…)
b. verzoeken om een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop de werkgever zich jegens hem heeft gedragen naar aanleiding van een melding.
Artikel 6
3. Onverminderd artikel 2e (https://wetten.overheid.nl/BWBR0037852/2023-02-18/), stelt de afdeling onderzoek binnen zes weken na de dagtekening van het verzoek een onderzoek in, tenzij de afdeling onderzoek oordeelt dat:
(…)
b. het verzoek kennelijk ongegrond is;
Artikel 7
4. Indien de afdeling onderzoek geen onderzoek instelt of dit niet voortzet, deelt de afdeling dit onder vermelding van de redenen zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de verzoeker mede.

Voetnoten

1.Dit kan op grond van artikel 4, eerste lid, onder b van de Wet bescherming klokkenluiders (Wbk).
2.Dit volgt uit artikel 6, eerste lid, in samenhang met artikel 7, eerste lid, van de Wbk.
3.Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (Richtlijn 2019/1937).
4.Verwezen wordt naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 maart 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:3504) en de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2019:3795).
5.Uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 25 januari 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8816) en 20 februari 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:234).
6.Dit volgt uit artikel 8:1 in Pro samenhang met artikelen 7:1 en 1:3, eerste lid, van de Awb.
7.Dit volgt uit artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
8.Dit volgt uit artikel 7:11, eerste lid, van de Awb.
9.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2023:1851), onder 7.1.
10.Kamerstukken II, 2020-2021, 35 851, nr. 3, p. 85.
11.Zie onder meer de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 13 januari 2026 (ECLI:NL:RBAMS:2026:83), 19 januari 2026 (ECLI:NL:RBAMS:2026:2039) en 30 januari 2026 (ECLI:NL:RBAMS:2026:850).
12.Dit volgt uit artikel 9:3 van Pro de Awb. Zie ook de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 maart 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:3504), onder 7.1.
13.Zie uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 januari 2026 (ECLI:NL:RBAMS:2026:2039).