Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
Huis voor Klokkenluiders, verweerder
Samenvatting
Procesverloop
3 oktober 2024.
Beoordeling door de rechtbank
niet-ontvankelijk verklaard, omdat die brief geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen bezwaar kan worden gemaakt. De brief betreft enkel een mededeling dat een door eiser gewenste feitelijke handeling, namelijk een onderzoek, niet plaats zal vinden. De brief van 3 oktober 2024 is daarmee niet op enig rechtsgevolg gericht en dus geen besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Het bezwaar van eiser tegen die brief is daarom niet-ontvankelijk. Verweerder wijst in dit kader op Kamerstukken over de Wet bescherming klokkenluiders (Wbk), waaruit ook expliciet blijkt dat er geen beroep open staat tegen een beslissing om geen onderzoek te doen. Verweerder wijst ook op de uitspraak van rechtbank Midden-Nederland van 18 juli 2019 [1] en de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 19 maart 2024 [2] , waarin gelijkluidend is geoordeeld.
Tegen een besluit van het Huis om geen onderzoek in te stellen is daarom geen beroep mogelijk." [3]
Deze mededeling heeft op zichzelf geen rechtsgevolg. Dat het rechtsgevolg van de beslissing om een onderzoek op te starten, zou zijn de verplichting tot het doen van onderzoek, volgt de rechtbank niet. Er bestaat, gelet op de wetsgeschiedenis, geen recht op onderzoek door het Huis.(…). Uit artikel 7, eerste lid, van de WHvK [Wet Huis voor Klokkenluiders, deze wet was de voorganger van de huidige Wbk, RB] volgt dat de afdeling onderzoek de beslissing om wel of geen onderzoek te doen
mededeelt.
Uit de wetsgeschiedenis lijkt ook te herleiden dat er door de wetgever een bewuste keuze is gemaakt om dit niet als besluit aan te merken.” [4]
Hiermee wordt beoogd de onduidelijkheid weg te nemen dat de beoordeling van het verzoek een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht zou kunnen zijn, hetgeen niet het geval is.De vervanging van verzoekschrift door het begrip verzoek is het gevolg van het feit dat verzoeken aan het Huis op grond van het gewijzigde artikel 5, eerste lid, voortaan ook mondeling kunnen worden gedaan." [6]
Artikel 23 van Pro de Richtlijn schrijft voor dat lidstaten er zorg voor moeten dragen dat er sancties staan op – kortgezegd – het intimideren en tegenwerken van melders, als ook op het bewust openbaar maken van onjuiste informatie door melders. Artikel 25 van Pro de Richtlijn schrijft tot slot voor dat lidstaten een bredere bescherming van de rechten van melders kunnen bieden dan de Richtlijn voorschrijft, alsook dat invoering van de Richtlijn onder geen beding een reden vormt voor de verlaging van de door lidstaten reeds geboden bescherming. Geen van deze artikelen ziet op de mogelijkheid tot het instellen van een rechtsmiddel tegen de mededeling dat geen misstandenonderzoek wordt ingesteld. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet de rechtbank dan ook niet in hoe deze artikelen via het leerstuk van richtlijnconforme interpretatie kunnen leiden tot het oordeel dat er bezwaar openstaat tegen de brief van 3 oktober 2024. De rechtbank ziet ook niet in hoe de effectiviteit van deze artikelen dan wel de Richtlijn als geheel wordt aangetast doordat er geen bezwaar openstaat tegen de brief van 3 oktober 2024.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr.M.A. Hollander, griffier.