Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4432

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
ROT 26/1934
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 53a ParticipatiewetArt. 54 ParticipatiewetArt. 5:16 AwbArt. 5:17 AwbArt. 5:20 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen opschorting bijstandsuitkering wegens rechtmatigheidsonderzoek

Verzoeker ontvangt sinds 1997 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet. Het dagelijks bestuur heeft de uitkering opgeschort omdat verzoeker niet alle gevraagde informatie heeft verstrekt in het kader van een rechtmatigheidsonderzoek. Verzoeker maakt bezwaar en vraagt de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter constateert dat niet kan worden vastgesteld of de IND de informatie waarop het rechtmatigheidsonderzoek is gebaseerd, binnen de wettelijke kaders met het dagelijks bestuur heeft gedeeld. Dit roept ingewikkelde rechtsvragen op die niet in een voorlopige voorziening kunnen worden beantwoord.

Na belangenafweging weegt het belang van verzoeker, die geen andere inkomsten heeft, zwaarder dan het belang van het dagelijks bestuur bij controle. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het besluit tot opschorting geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

Het dagelijks bestuur moet het griffierecht aan verzoeker vergoeden. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter S.E.C. Debets op 9 april 2026 en bindt de rechtbank niet in een bodemprocedure.

Uitkomst: Het besluit tot opschorting van de bijstandsuitkering wordt geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/1934

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit Dordrecht, verzoeker,

en

het Dagelijks Bestuur van GR Sociaal (hierna: het dagelijks bestuur),

(gemachtigde: mr. T. Franssen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de opschorting van de bijstandsuitkering van verzoeker. Verzoeker is het niet met de opschorting eens. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze procedure tot de conclusie dat niet kan worden vastgesteld of de IND de verstrekte informatie, op grond waarvan het dagelijks bestuur een rechtmatigheidsonderzoek is gestart, binnen de wettelijke kaders met het dagelijks bestuur heeft gedeeld. Ook verder leent een voorlopige voorzieningenprocedure zich niet voor de beantwoording van ingewikkelde rechtsvragen, zoals in deze zaak aan de orde. De voorzieningenrechter komt na een belangenafweging tot een toewijzing van het verzoek. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 26 februari 2026 heeft het dagelijks bestuur de bijstandsuitkering van verzoeker opgeschort. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Het dagelijks bestuur heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoeker heeft nadere stukken ingediend.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van het dagelijks bestuur en [naam] namens het dagelijks bestuur.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
3. Verzoeker ontvangt sinds 25 december 1997 een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Met een besluit van 22 september 2025 heeft het dagelijks bestuur de bijstandsuitkering van verzoeker opgeschort omdat verzoeker niet alle gevraagde informatie heeft overgelegd. Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Met de uitspraak van 7 november 2025 heeft de voorzieningenrechter het besluit van 22 september 2025 geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Het dagelijks bestuur heeft vervolgens met het besluit van 13 november 2025 het besluit van 22 september 2025 ingetrokken en met het besluit op bezwaar van 2 december 2025 het bezwaar tegen het besluit van 22 september 2025 niet-ontvankelijk verklaard. Hierna heeft het dagelijks bestuur verzoeker op 5 februari 2026 verzocht voor 16 februari 2026 informatie aan te leveren in verband met een rechtmatigheidsonderzoek. Met een brief van 16 februari 2026 heeft verzoeker gereageerd op het verzoek om informatie.
3.1.
Omdat verzoeker niet alle gevraagde informatie heeft overgelegd, heeft het dagelijks bestuur het recht op bijstand van verzoeker met het bestreden besluit opgeschort vanaf 16 februari 2026. Het dagelijks bestuur heeft verzoeker daarbij in de gelegenheid gesteld de gevraagde informatie uiterlijk 9 maart 2026 alsnog over te leggen.
3.2.
Verzoeker is het niet eens met het bestreden besluit. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat het besluit tot opschorting van zijn bijstandsuitkering wordt geschorst zodat hij weer over zijn bijstandsuitkering kan beschikken tot de beslissing op het bezwaar.
De uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 november 2025
4. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het dagelijks bestuur de uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 november 2025 omzeilt. De voorzieningenrechter heeft het opschortingsbesluit van 22 september 2025 geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Vervolgens heeft het dagelijks bestuur het besluit van 22 september 2025 ingetrokken en het bezwaar hiertegen niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Hierna heeft het dagelijks bestuur op 26 februari 2026 eenzelfde opschortingsbesluit genomen.
5. Uit vaste rechtspraak [1] volgt dat als een bestuursorgaan een besluit met dezelfde strekking neemt als een eerder besluit dat door de voorzieningenrechter is geschorst, de uitgesproken schorsing zich mede uitstrekt tot het nieuwe besluit. Anders dan verzoeker stelt, is hier geen sprake van een besluit met dezelfde strekking als het besluit van 22 september 2025 dat de voorzieningenrechter met de uitspraak van 7 november 2025 heeft geschorst. Hoewel beide besluiten een opschorting van verzoekers bijstandsuitkering inhouden naar aanleiding van een rechtmatigheidsonderzoek na een signaal van de IND, ziet het besluit van 26 februari 2026 op een andere periode en zijn aan het besluit aanvullende onderzoeksbevindingen ten grondslag gelegd. De uitgesproken schorsing strekt zich daarom niet (mede) uit over het besluit van 26 februari 2026, zodat de voorzieningenrechter opnieuw moet beoordelen of er aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
6. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op het bezwaar of het beroep niet kan worden afgewacht.
7. Het verzoek om een voorlopige voorziening heeft betrekking op de opschorting van de bijstandsuitkering, een vangnetvoorziening. Een dergelijk verzoek is naar zijn aard spoedeisend, tenzij er duidelijke aanwijzingen zijn voor het tegendeel. Hiervan is de voorzieningenrechter niet gebleken. De voorzieningenrechter neemt het spoedeisend belang daarom aan en zal de zaak inhoudelijk beoordelen.
Wat is het juridisch kader?
8. Het dagelijks bestuur bepaalt welke gegevens ten behoeve van de (voortzetting van de) bijstandsverlening worden verstrekt, welke bewijsstukken worden overgelegd en de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt. Het dagelijks bestuur is bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en de volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de (voortzetting van de) bijstandsverlening. Dit staat in artikel 53a, eerste en zesde lid, van de Pw.
9. Op grond van artikel 54, eerste lid, van de Pw, voor zover van belang, kan het dagelijks bestuur het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten.
Mocht het dagelijks bestuur de bijstandsuitkering van verzoeker opschorten?
10. Het dagelijks bestuur heeft met het besluit van 26 februari 2026 de bijstandsuitkering van verzoeker vanaf 16 februari 2026 opgeschort omdat verzoeker niet heeft meegewerkt aan het rechtsmatigheidsonderzoek naar zijn bijstandsuitkering. Het dagelijks bestuur kan de bijstandsuitkering van verzoeker alleen opschorten als het hem kan worden verweten dat hij niet de gevraagde informatie heeft aangeleverd. Daarvoor is van belang of het dagelijks bestuur de betreffende informatie bij verzoeker mocht opvragen. Verzoeker stelt zich (onder meer) op het standpunt dat het dagelijks bestuur de informatie uit de brief 5 februari 2026 niet mocht opvragen, omdat dit informatieverzoek is gebaseerd op onrechtmatig verkregen informatie van de IND. Ten aanzien van het standpunt van het dagelijks bestuur dat de informatie mocht worden uitgewisseld op basis van artikel 107 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), stelt verzoeker dat dit artikel niet op hem van toepassing is. Verzoeker is immers geen vreemdeling.
11. De voorzieningenrechter dient de vraag te beantwoorden of het dagelijks bestuur de bijstandsuitkering van verzoeker mocht opschorten omdat hij niet heeft meegewerkt aan het rechtmatigheidsonderzoek naar zijn bijstandsuitkering. Naar aanleiding van de gronden van verzoeker, ziet de voorzieningenrechter zich verder voor de vraag gesteld of het dagelijks bestuur op basis van de informatie die zij op 7 januari 2025 en 2 april 2025 van de IND heeft ontvangen een onderzoek had mogen starten naar de rechtmatigheid van de bijstandsuitkering van verzoeker.
11.1.
De IND heeft in een e-mailbericht van 7 januari 2025 bij het dagelijks bestuur gemeld nader onderzoek te doen naar mogelijke migratiecriminaliteit en dat in dit onderzoek mogelijk ook uitkeringsfraude speelt. De toezichthouder van het dagelijks bestuur heeft naar aanleiding van dit bericht telefonisch contact gehad met de IND. In dit telefoongesprek is de vraag van de IND of verzoeker een bijstandsuitkering ontving, door de toezichthouder bevestigd. Op 2 april 2025 heeft de IND, na afronding van het eigen onderzoek naar migratiecriminaliteit, informatie, waaronder verschillende bankafschriften van vreemdelingen, naar de toezichthouder gezonden. Volgens deze informatie verricht verzoeker vanaf 2019 werkzaamheden als juridisch adviseur in een groot aantal dossiers met betrekking tot diverse procedures bij de IND en hebben verschillende personen in dat kader geld naar hem overgemaakt naar een op zijn naam staande Belgische bankrekening. Vervolgens heeft het dagelijks bestuur op grond van haar eigen bevoegdheden nader onderzoek verricht, waarbij onder andere bij de IND nadere informatie is gevorderd op grond van artikel 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
11.2.
Als grondslag voor de gegevensdeling door de IND heeft het dagelijks bestuur gewezen op artikel 107, vierde lid, van de Vw 2000. Dit artikel bepaalt dat uit de vreemdelingenadministratie, met uitzondering van gezichtsopnames en de vingerafdrukken, bedoeld in het eerste lid, aan bestuursorganen die gegevens en inlichtingen worden verstrekt, die zij behoeven voor de uitvoering van hun taak, waaronder in ieder geval gegevens over de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling en, indien het een gecombineerde vergunning betreft, de gegevens op basis waarvan kan worden beoordeeld of is voldaan aan de Wet arbeid vreemdelingen.
11.3.
Het standpunt van verzoeker dat artikel 107 van Pro de Vw 2000 niet op hem van toepassing is omdat hij Nederlander is en geen vreemdeling, volgt de voorzieningenrechter niet. Uit de wetsgeschiedenis [2] volgt dat de vreemdelingenadministratie ter uitvoering van de Vw 2000 een verzameling gegevens bevat over vreemdelingen, maar ook over personen die geen vreemdeling zijn, bijvoorbeeld over Nederlandse referenten. In zoverre kan verzoeker, nu hij als juridisch adviseur optreedt namens vreemdelingen, voorkomen in de vreemdelingenadministratie.
11.4.
De persoonsgegevens in bezit van de IND worden verkregen voor de doeleinden genoemd in artikel 107, tweede lid, van de Vw 2000. Het gaat dan om de verwerking van persoonsgegevens die nodig zijn voor de uitvoering van de Vw 2000, de Rijkswet op het Nederlanderschap en andere wettelijke voorschriften zoals opgenomen in het Voorschrift Vw 2000. [3] Het beschikbaar stellen van informatie over verzoeker aan het dagelijks bestuur moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval worden aangemerkt als een verdere verwerking voor een ander doel dan waarvoor de gegevens oorspronkelijk door de IND zijn verkregen. De informatie over verzoeker heeft de IND namelijk niet aan het dagelijks bestuur verstrekt ter uitvoering van de Vw 2000, maar ter uitvoering van een onderzoek naar verzoekers recht op bijstand. In beginsel geldt een verbod op de verwerking van persoonsgegevens voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verkregen. [4] De voorzieningenrechter heeft daarom twijfels over of artikel 107, vierde lid, van de Vw 2000 voldoende grondslag biedt om informatie van de IND die is verkregen met de doelen zoals genoemd in het tweede lid van dat artikel uit te wisselen met het dagelijks bestuur. [5] Indien artikel 107, vierde lid, van de Vw 2000 voor deze gegevensdeling onvoldoende grondslag biedt, zou hiervoor mogelijk een grondslag kunnen worden gevonden in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) [6] of in een ander wettelijk voorschrift. Het dagelijks bestuur heeft echter niet nader gemotiveerd op basis van welke (andere) wettelijke grondslag de gegevensdeling tussen de IND en het dagelijks bestuur heeft mogen plaatsvinden. Vooralsnog kan dus niet worden vastgesteld of de IND de op 7 januari 2025 en 2 april 2025 verstrekte informatie binnen de wettelijke kaders met het dagelijks bestuur heeft gedeeld. Ook kan niet worden beoordeeld of - als sprake is van informatie die is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelend overheid mag worden verwacht - dat gebruik ervan onder alle omstandigheden ontoelaatbaar is. Een voorlopige voorziening leent zich ook niet voor dergelijke ingewikkelde rechtsvragen. Hierdoor kan de vraag of het dagelijks bestuur de bijstandsuitkering van verzoeker in redelijkheid heeft kunnen opschorten in het kader van deze voorlopige voorzieningenrechter procedure niet worden beantwoord.
11.5.
Dat het dagelijks bestuur, zoals zij stelt, ook zonder de informatie van de IND onderzoek naar het recht op bijstand van verzoeker mocht instellen op grond van de Awb, leidt niet tot een ander oordeel. Al het onderzoek dat het dagelijks bestuur heeft verricht, is een vervolg op en onlosmakelijk verweven met de op 7 januari 2025 en 2 april 2025 door de IND verstrekte informatie. Een eventuele onrechtmatigheid ten aanzien van de op die data door de IND gedeelde informatie, strekt zich daarmee ook uit over de onderzoeksbevindingen die op basis van die informatie zijn verkregen. [7]
11.6.
De voorzieningenrechter zal daarom voor de vraag of een voorlopige voorziening moet worden getroffen, een belangenafweging maken. In dat kader dient het belang dat verzoeker heeft bij de voortzetting van zijn bijstandsuitkering, een vangnetvoorziening, te worden afgewogen tegen het algemene belang van het dagelijks bestuur bij de (controle op de) naleving van de Participatiewet. De voorzieningenrechter is in dat kader van oordeel dat het belang van verzoeker in dit geval groter is, omdat hij geen bijstandsuitkering ontvangt en (vooralsnog) niet is gebleken dat verzoeker over andere inkomsten beschikt om in zijn levensonderhoud te voorzien. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen.

Conclusie en gevolgen

12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorziening dat het besluit van 26 februari 2026 wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Dit betekent dat verzoeker weer bijstand dient te krijgen. Nu de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bestaat er geen aanleiding de overige gronden te bespreken.
12. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het dagelijks bestuur het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
  • schorst het bestreden besluit van 26 februari 2026 tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
  • bepaalt dat het dagelijks bestuur het griffierecht van € 54,- aan verzoeker moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2364.
2.Kamerstukken II 2008/09, 32 052, nr. 3, p. 95-98.
3.Kamerstukken II 2008/09, 32 052, nr. 3, p. 96.
4.Zie de artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 6, vierde lid, van de AVG.
5.Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:139.
6.Zie artikel 23, eerste lid, van de AVG.
7.Vergelijk de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2370 en 27 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:332.