Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3923

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
ROT 24/8951
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610 BWArt. 3 WWArt. 42 WWArt. 42a WWArt. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over arbeidsovereenkomst en WW-uitkeringsduur mantelzorg

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de duur van haar toegekende WW-uitkering, omdat het UWV de jaren 2019-2021 slechts voor 50% meetelde vanwege toepassing van het mantelzorgforfait. Volgens eiseres was zij in die jaren werknemer van haar zus op basis van een arbeidsovereenkomst.

De rechtbank beoordeelt aan de hand van artikel 7:610 BW Pro en de Haviltex-maatstaf of sprake is van een arbeidsovereenkomst, waarbij persoonlijke arbeid, gezagsverhouding en loonbetaling centraal staan. Eiseres heeft onderbouwd dat zij vaste uren werkte, onder gezag van haar zus, met vaste vergoeding en aanwijzingen, wat wijst op een arbeidsovereenkomst.

Het UWV baseerde zich op een zorgovereenkomst van opdracht waarin eiseres als ondernemer werd aangeduid, maar de rechtbank vindt dit onvoldoende gemotiveerd en constateert een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek. Daarom krijgt het UWV de gelegenheid de gebreken te herstellen en opnieuw te beoordelen of sprake is van een arbeidsovereenkomst, waarna de rechtbank een einduitspraak zal doen.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd dat er geen arbeidsovereenkomst was en geeft het UWV de gelegenheid dit te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/8951

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2026 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A. Bosveld),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. W. Smith).

Samenvatting

1. Deze tussenuitspraak gaat over een aan eiseres toegekende WW [1] -uitkering. Eiseres is het niet eens met de toegekende duur van deze uitkering en heeft beroep ingesteld.
2. De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit gebreken bevat. Het UWV krijgt de mogelijkheid deze gebreken te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Met het primaire besluit van 14 maart 2024 is aan eiseres een WW-uitkering toegekend voor een periode van drie maanden. Met het bestreden besluit van 4 augustus 2024 is het UWV bij dat besluit gebleven. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.
4. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en namens het UWV mr. S. Erdogan en [persoon A] .

Beoordeling door de rechtbank

Wat is er gebeurd?

6. Eiseres was tot 1 maart 2024 werkzaam bij [naam werkgever] . Op 11 maart 2024 heeft zij een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering. Met het primaire besluit heeft het UWV aan eiseres een WW-uitkering toegekend over de periode van 4 maart 2024 tot en met 3 mei 2024. In het bestreden besluit is het UWV bij die beslissing gebleven. Eiseres heeft volgens het UWV geen recht op meer dan drie maanden uitkering, omdat eiseres niet voldoet aan de eis dat zij in vier van de vijf jaren, voor het jaar waarin zij werkloos werd, minimaal 52 dagen respectievelijk 208 uur loon ontving (de jareneis). In het geval van eiseres zijn de jaren 2019 tot en met 2023 beoordeeld. De jaren 2022 en 2023 tellen volledig mee voor de opbouw van het arbeidsverleden van eiseres vanwege het loon dat zij in die jaren heeft ontvangen bij [naam werkgever] . De jaren 2019, 2020 en 2021 tellen voor 50% mee, omdat eiseres in die jaren inkomsten heeft ontvangen voor het verlenen van zorg op grond van een wettelijke regeling (zoals de Wmo of Wlz) (het mantelzorgforfait [2] ).
Wat zijn de standpunten van partijen?
7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij wel aan de jareneis voldoet en dat het UWV ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het mantelzorgforfait. In de jaren 2019 tot en met 2023 is zij werkzaam geweest als zorgverlener in loondienst bij haar zus [naam zus] op basis van een arbeidsovereenkomst.
8. Het UWV stelt zich op het standpunt dat in de jaren 2019, 2020 en 2021 geen sprake is geweest van dienstbetrekking op basis van een arbeidsovereenkomst tussen eiseres en haar zus. Volgens het UWV heeft eiseres in die jaren als zelfstandige op basis van een overeenkomst van opdracht werkzaamheden verricht als mantelzorger voor haar zus. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst het UWV op de in januari 2019 getekende zorgovereenkomst van opdracht, waarin staat vermeld dat eiseres als ondernemer zorg verleent.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
9. Tussen partijen is in geschil of het UWV voor de jaren 2019, 2020 en 2021 terecht het mantelzorgforfait heeft toegepast waardoor deze jaren niet volledig, maar voor 50% meetellen voor de opbouw van het arbeidsverleden van eiseres. Ter beoordeling van dit geschil dient te worden vastgesteld of eiseres in de jaren 2019, 2020 en 2021 werknemer was in de zin van de WW en daarmee verzekerd was voor deze wet. [3] Voor de relevante wet- en regelgeving verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak.
9.1.
Om als werknemer in de zin van de WW te kunnen worden aangemerkt, is op grond van artikel 3, eerste lid, van de WW vereist dat sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen eiseres en haar zus. Naar vaste rechtspraak is sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, als eiseres werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst. [4] Voor het aannemen van een arbeidsovereenkomst moet sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Dit staat in artikel 7:610 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
9.2.
Voor de beoordeling of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg aan de hand van de Haviltex-maatstaf [5] worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen eiseres en haar zus zijn overeengekomen. Kort gezegd houdt die maatstaf in dat niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking worden genomen die eiseres en haar zus voor ogen stonden, maar ook de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de rechtsverhouding. [6] Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of eiseres en haar zus de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. [7]
9.3.
Omdat eiseres een aanvraag voor een WW-uitkering heeft ingediend, ligt het in beginsel op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat voldaan is aan de voorwaarden voor een arbeidsovereenkomst.
9.4.
Eiseres heeft naar voren gebracht dat zij in de periode van 10 oktober 2018 tot 1 maart 2023 mantelzorg heeft verleend aan haar zus. Eiseres deed dit voor een vast aantal uren per week, met vaste aanvangs- en eindtijden en voor een vaste maandvergoeding. De werkzaamheden betroffen onder meer schoonmaken en andere huishoudelijke werkzaamheden. Eiseres wijst hiervoor op een zorgovereenkomst van opdracht (in het kader van de Wlz) voor de SVB van januari 2019. Daarin staat dat eiseres voor [naam zus] zorg verleent voor 30 uur per week voor een vaste maandvergoeding van € 2.600,-. Daarnaast wijst eiseres op het door haar op 6 december 2021 ingevulde wijzigingsformulier, dat zij ter zitting heeft overgelegd en waarop is aangegeven dat het door haar aan haar zus verleende aantal uren zorg 54,5 uur per week (van maandag tot en met zaterdag) is en de maandvergoeding € 4.860,- bedraagt. Op 11 oktober 2022 heeft eiseres opnieuw een wijzigingsformulier ingevuld en onder meer een gewijzigd aantal uren per week (40) en maandbedrag (€ 4.120,93 inclusief vakantiegeld) doorgegeven.
Eiseres heeft op zitting verder verklaard dat, voordat de (gestelde) arbeidsovereenkomst werd aangegaan, zij aan haar zus ad hoc mantelzorg verleende. Dat veranderde met het aangaan van de zorgovereenkomst in 2019, die is gesloten omdat de zus van eiseres haar heup had gebroken en voor zorg persoonsgebonden budget ontving. De zus van eiseres kon kiezen voor professionele zorg of de hulp van eiseres. Eiseres en haar zus hebben weloverwogen voor het laatste gekozen, waarbij ondanks de familieverhouding sprake was van een gezagsverhouding. De zus van eiseres had permanent hulp nodig en eiseres verrichte de werkzaamheden op aanwijzingen van haar zus. Er werden geen functioneringsgesprekken gehouden, maar de zus van eiseres gaf tussendoor feedback op de door eiseres verrichte werkzaamheden. Er werd ook strak toegezien op de werktijden en bij vakanties diende vervanging te worden geregeld.
9.5.
Gelet op wat eiseres over de invulling van de zorgovereenkomst tussen haar en haar zus naar voren heeft gebracht, is de rechtbank van oordeel dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd dat in de jaren 2019, 2020 en 2021 geen sprake was van een arbeidsovereenkomst. De enkele stelling van het UWV dat eiseres en haar zus in 2019 een zorgovereenkomst van opdracht hebben getekend, waarop staat vermeld dat eiseres als ondernemer de zorg verleent, acht de rechtbank mede gelet op de Haviltex-maatstaf, onvoldoende. Het bestreden besluit bevat daarmee een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek.

Conclusie en gevolgen

10. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:51a van de Awb het UWV in de gelegenheid te stellen deze gebreken te herstellen. De rechtbank doet daarom met toepassing van artikel 8:80a van de Awb een tussenuitspraak. Het UWV dient aan de hand van de criteria van artikel 7:610 BW Pro (het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon) en de Haviltex-maatstaf te beoordelen of sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst tussen eiseres en haar zus in de jaren 2019, 2020 en 2021, of eiseres daarmee is aan te merken als werknemer in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW en of die jaren om die reden volledig (100%) dienen mee te tellen voor het arbeidsverleden van eiseres. Het UWV kan de gebreken herstellen met hetzij een aanvullende motivering, hetzij voor zover nodig een nieuwe beslissing op bezwaar na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.
11. Het UWV moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak, meedelen aan de rechtbank of gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als het UWV gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV. In beginsel, ook in de situatie dat het UWV de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
12. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten in beginsel in strijd met de goede procesorde wordt geacht.
13. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
  • draagt het UWV op binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
  • stelt het UWV in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
  • bepaalt dat eiseres, na ontvangst van de reactie van het UWV, een termijn van vier weken krijgt op hierop te reageren;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze tussenuitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Boek 7 van het Burgerlijk wetboek
Artikel 610
1. De arbeidsovereenkomst is de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.
2. Indien een overeenkomst zowel aan de omschrijving van lid 1 voldoet als aan die van een andere door de wet geregelde bijzondere soort van overeenkomst, zijn de bepalingen van deze titel en de voor de andere soort van overeenkomst gegeven bepalingen naast elkaar van toepassing. In geval van strijd zijn de bepalingen van deze titel van toepassing.
Werkloosheidswet
Artikel 3
1. Werknemer is de natuurlijke persoon, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
(…)
Artikel 42
1. De uitkeringsduur is ten minste drie maanden en ten hoogste 24 maanden, te rekenen vanaf de eerste dag waarop het recht op uitkering is ontstaan.
2. Indien de werknemer:
a. aantoont in de periode van vijf kalenderjaren onmiddellijk voorafgaande aan het kalenderjaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen, in ten minste vier kalenderjaren over 52 of meer dagen per kalenderjaar respectievelijk over 208 of meer uren per kalenderjaar loon te hebben ontvangen, waarbij voor 1 januari 2013 52 of meer dagen bepalend is en vanaf 1 januari 2013 208 of meer uren; of
b. onmiddellijk voorafgaande aan of op zijn eerste dag van werkloosheid recht heeft op een uitkering op grond van een wet als genoemd in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, c of d;
1° is de uitkeringsduur een maand voor ieder kalenderjaar arbeidsverleden voor zover het arbeidsverleden niet meer dan tien kalenderjaren is; en
2° wordt de uitkeringsduur, voor zover het arbeidsverleden meer is dan tien kalenderjaren, verlengd met een halve maand voor ieder kalenderjaar arbeidsverleden gelegen na 2015 en met een maand voor ieder kalenderjaar arbeidsverleden gelegen voor 2016. Bij het berekenen van de uitkeringsduur worden de maanden en de halve maanden bij elkaar opgeteld en wanneer die berekening niet leidt tot een aantal gehele maanden, telt een halve maand voor 15 kalenderdagen.
(…)
Artikel 42a
3. Voor de toepassing van artikel 42 worden Pro niet reeds in aanmerking genomen kalenderjaren vanaf en met in begrip van een bij ministeriële regeling nader te bepalen kalenderjaar, waarin een persoon inkomsten ontvangt voor het verlenen van zorg op grond van een regeling voor persoonsgebonden budget, die is gegrond op artikel 3.3.3 van de Wet langdurige zorg dan wel voor het verlenen van ondersteuning ten laste van een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 2.3.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, voor de helft gelijkgesteld met kalenderjaren waarin over 52 of meer dagen loon is ontvangen, respectievelijk over 208 of meer uren loon is ontvangen, tenzij de zorg of ondersteuning wordt verleend als zelfstandige. De eerste zin is uitsluitend van toepassing indien de in de eerste zin bedoelde persoon aantoont dat deze zorgverlening aan deze voorwaarden voldoet of heeft voldaan. Die persoon wordt aangemerkt als verzorgend persoon. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van dit lid.
Regeling mantelzorgforfait WW en Wet WIA
Artikel 1. Aanwijzing kalenderjaren WW en Wet WIA
1. Voor de toepassing van artikel 42, tweede lid, onderdeel a, van de Werkloosheidswet worden niet reeds in aanmerking genomen kalenderjaren vanaf en met in begrip van 2007 in aanmerking genomen op de wijze, bedoeld in artikel 42a, derde lid, van die wet.
(…)