ECLI:NL:RBROT:2026:2317

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
24/11779
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • F.P. Heijne
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 1:6 AwbArt. 1:8 AwbArt. 2:28 APV 2012Art. 2:30 APV 2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Sluiting horeca-inrichting wegens aanwezigheid vuurwapen en niet-naleving exploitatieplan

De burgemeester van Rotterdam sloot de horeca-inrichting van eiser voor drie maanden vanwege meerdere ongewenste en illegale activiteiten, waaronder de aanwezigheid van een vuurwapen en vermoedens van niet-betaalde accijns over shisha-tabak. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen de sluiting.

De rechtbank oordeelde dat het besluit niet langer gebaseerd kon worden op het vermoeden van niet-betaalde accijns, waardoor sprake was van een motiveringsgebrek. Desondanks bleven de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat de burgemeester aannemelijk had gemaakt dat een vuurwapen aanwezig was en dat niet iedereen was gefouilleerd, wat in strijd was met het exploitatieplan.

De rechtbank stelde vast dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting en dat de maatregel noodzakelijk en evenwichtig was, gezien de impact op de openbare orde en veiligheid. Hoewel eiser maatregelen had genomen om herhaling te voorkomen, was de sluiting gerechtvaardigd. De rechtbank veroordeelde de burgemeester tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek, maar de sluiting van de horeca-inrichting voor drie maanden blijft gehandhaafd vanwege aanwezigheid vuurwapen en niet-naleving exploitatieplan.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/11779

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] h.o.d.n. [naam horeca-inrichting], uit Rotterdam, eiser

(gemachtigde: mr. Z.M. Nasir),
en

de burgemeester van de gemeente Rotterdam

(gemachtigden: mr. S.B.H. Fijneman en mr. S.A. de Roo).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de sluiting van de horeca-inrichting van eiser voor de duur van drie maanden. De horeca-inrichting is gesloten omdat er meerdere ongewenste en/of illegale activiteiten zijn geconstateerd, waaronder de aanwezigheid van een vuurwapen in de horeca-inrichting en het vermoeden dat geen accijns is betaald over shisha-tabak. Eiser is het niet eens met de sluiting. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
Het beroep is gegrond omdat de burgemeester in beroep de feiten met betrekking tot de shisha-tabak als (mede)grondslag voor het bestreden besluit heeft laten vervallen. Toch blijven de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand omdat de burgemeester wel aannemelijk heeft gemaakt dat in de horeca-inrichting een vuurwapen aanwezig is geweest en dat in strijd met het exploitatieplan niet iedereen is gefouilleerd. Een sluiting van drie maanden is in die situatie nog steeds gerechtvaardigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 15 april 2024 heeft de burgemeester de horeca-inrichting van eiser voor drie maanden gesloten. Eiser heeft bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam verzocht om de sluiting te schorsen. Het verzoek is afgewezen. [1]
2.1.
Met het bestreden besluit van 12 november 2024 is de burgemeester bij de sluiting van de horeca-inrichting gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de burgemeester.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 21 januari 2024 heeft rond 6 uur in de buurt van de horeca-inrichting van eiser een schietincident plaatsgevonden. De politie heeft – voor zover relevant voor dit beroep – aan de hand van camerabeelden de volgende gebeurtenissen vastgelegd in de op ambtsbelofte opgemaakte bestuurlijke rapportages van 5 februari 2024 en 18 maart 2024:
  • drie personen gaan bij de horeca-inrichting van eiser naar binnen;
  • één persoon wordt bij binnenkomst niet gefouilleerd, de andere twee wel;
  • na een uur verlaten twee personen van dit groepje de horeca-inrichting;
  • één persoon loopt naar een groepje dat voor een andere horeca-inrichting staat;
  • de andere persoon loopt direct weer de horeca-inrichting van eiser binnen en gaat naar de derde persoon van het groepje die in de horeca-inrichting is achtergebleven;
  • de achtergebleven persoon geeft een vuurwapen aan de persoon die weer naar binnen is gekomen;
  • de persoon die weer naar binnen is gekomen, loopt met het vuurwapen in zijn hand naar de uitgang van de horeca-inrichting en passeert de bar waarachter een medewerker van de horeca-inrichting staat;
  • de persoon komt met het vuurwapen in zijn hand naar buiten; en
  • de persoon met het vuurwapen duwt een aantal personen omver en rent vervolgens achter het latere slachtoffer aan in de richting van de Mathenesserlaan.
Tijdens het politieonderzoek en bij een nacontrole, heeft de politie ook een hoeveelheid shisha-tabak (20-25 kilo) gevonden waarvan wordt vermoed dat geen accijns is betaald.
3.1.
Op basis van het handhavingsarrangement uit (de voorganger van) de Horecanota [2] heeft de burgemeester aan eiser het voornemen tot tijdelijke sluiting van de horeca-inrichting bekendgemaakt. De zienswijzen van eiser van 14 maart 2024 en 8 april 2024 hebben niet geleid tot een ander besluit. Met het besluit van 15 april 2024 is de inrichting van eiser voor drie maanden gesloten. Daarbij heeft de burgemeester vastgesteld dat op 21 januari 2024 een vuurwapen aanwezig was in de horeca-inrichting, een bezoeker in strijd met het exploitatieplan niet is gefouilleerd en over een op 21 januari 2024 en 9 maart 2024 aangetroffen hoeveelheid (20-25 kilo) shisha-tabak (vermoedelijk) geen accijns is betaald.
3.2.
Met het bestreden besluit heeft de burgemeester het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld.
Toetsingskader
4. De burgemeester is bevoegd om een openbare inrichting tijdelijk te sluiten als in of vanuit de inrichting ongewenste en/of illegale activiteiten plaatsvinden. [3] Het kan dan bijvoorbeeld gaan om (i) feiten waardoor de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; (ii) het toestaan of gedogen van strafbare feiten of activiteiten; of (iii) het in strijd handelen met de vergunningvoorschriften of de in het exploitatieplan beschreven maatregelen. [4] De burgemeester voert op dit punt beleid. Vanwege de impact van ongewenste en/of illegale activiteiten op de openbare orde en veiligheid en het woon- en leefklimaat, volgt in principe een sluiting van drie maanden. Hiervan kan worden afgeweken als de omstandigheden daar aanleiding voor geven. [5]
4.1.
Het wettelijk kader van deze zaak is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Was de burgemeester bevoegd tot sluiting van de horeca-inrichting?
5. Eiser stelt dat de burgemeester niet bevoegd was tot het sluiten van de horeca-inrichting omdat onvoldoende vaststaat dat er ongewenste en/of illegale activiteiten hebben plaatsgevonden in of vanuit de horeca-inrichting. Eiser geeft aan dat niet vaststaat dat in de horeca-inrichting een wapen aanwezig is geweest en dat de verdachte met een wapen uit de inrichting is gelopen. Ook geeft eiser aan dat toegangscontrole mensenwerk is en uit camerabeelden blijkt dat één persoon tussendoor is geglipt omdat tegelijkertijd andere mensen de horeca-inrichting verlieten. Tot slot ontkent eiser dat geen accijns is betaald over de shisha-tabak die op 21 januari 2024 en 9 maart 2024 is aangetroffen in zijn auto.
Shisha-tabak
5.1.
Ter zitting heeft de burgemeester bevestigd dat het bestreden besluit niet langer is gebaseerd op het vermoeden dat voor de aangetroffen shisha-tabak vermoedelijk geen accijns is betaald. Eiser heeft in dat verband terecht gewezen op de uitspraak van deze rechtbank waarin wordt aangegeven dat door onduidelijkheid over de vraag of fiscale strafbeschikkingen zijn opgelegd, niet zonder meer kan worden aangenomen dat de geconstateerde feiten ook als strafbare feiten zijn aangemerkt. [6] De burgemeester heeft ter zitting aangegeven dat dit uitgangspunt ook geldt voor onderhavige procedure. Dat betekent dat eiser zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het vermoeden dat geen accijns is betaald over de shisha-tabak niet aan het besluit ten grondslag kan worden gelegd.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt.
Overige activiteiten
5.3.
Omdat een onderdeel van de onderbouwing van de sluiting van de horeca-inrichting wegvalt, zal de rechtbank moeten beoordelen of de burgemeester de sluiting heeft kunnen baseren op de overige ongewenste en/of illegale activiteiten die de burgemeester aan de sluiting ten grondslag heeft gelegd. Het gaat dan om de aanwezigheid van een wapen in de horeca-inrichting en het zich niet houden aan de exploitatievergunning door in strijd met het exploitatieplan niet iedereen te fouilleren. De rechtbank oordeelt dat dit het geval is.
5.4.
De burgemeester heeft zich in dat verband kunnen baseren op de Horecanota waarin specifiek de aanwezigheid van een vuurwapen in een horeca-inrichting als reden wordt genoemd om bij een eerste overtreding over te gaan tot drie maanden sluiting. Uit de APV 2012 volgt verder dat ook het niet voldoen aan het exploitatieplan aanleiding kan geven voor het (tijdelijk) sluiten van de horeca-inrichting. Dat de ongewenste en/of illegale activiteiten zich hebben voorgedaan, heeft de burgemeester kunnen afleiden uit de politierapportages van 5 februari 2024 en 18 maart 2024. Daarin is opgenomen – zoals blijkt uit overweging 3 van deze uitspraak – dat uit camerabeelden onder meer volgt dat de schutter het vuurwapen verkrijgt van een ander persoon in de horeca-inrichting van eiser. Ook volgt uit de beelden dat in afwijking op het exploitatieplan niet iedereen is gefouilleerd. In een derde politierapportage, die op 17 juli 2024 is opgemaakt naar aanleiding van vragen van de bezwarencommissie over wat precies op de beelden te zien is, wordt nogmaals bevestigd dat het gaat om een vuurwapen. Daarin wordt onder meer verwezen naar het feit dat het slachtoffer binnen 35 seconden nadat de schutter de horeca-inrichting voor de tweede keer heeft verlaten is beschoten. Onverminderd haar eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, volgt uit vaste rechtspraak dat de burgemeester mag afgaan op de juistheid van bevindingen in een op ambtsbelofte opgemaakte bestuurlijke rapportages van de politie. [7] Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inhoud van die bevindingen niet juist is. Eiser heeft weliswaar
stillsingebracht van het moment dat het groepje, waaronder de schutter, de horeca-inrichting binnengaat. Daaruit valt niet af te leiden dat de portier de persoon, die volgens eiser naar binnen is geglipt, niet ziet. Verder volgt uit die beelden, de nadere toelichting en andere verklaringen niet dat er geen vuurwapen in de horeca-inrichting aanwezig is geweest. Het feit dat dat er drie politierapportages zijn opgesteld waarvan een bijna een half jaar na het schietincident maakt voorgaande niet anders. De rechtbank overweegt dat – anders dan eiser stelt – het feit dat naar aanleiding van vragen en opmerkingen van eiser (in de zienswijze van 14 maart 2024) en daarna de bezwarencommissie, de politie opnieuw is bevraagd naar het incident, juist blijk geeft van een zorgvuldige werkwijze. De rechtbank oordeelt dat de burgemeester daarom heeft kunnen afgaan op de juistheid van de politierapportages en dus heeft kunnen vaststellen dat in de inrichting een wapen aanwezig was en eiser in strijd heeft gehandeld met het exploitatieplan door niet iedereen te fouilleren. Dat door omstandigheden een persoon naar binnen is geglipt, zoals eiser stelt, maakt de feitelijke constatering dat geen 100%-fouillering heeft plaatsgevonden, niet anders. Dit betekent dat de burgemeester, op grond van voorgaande activiteiten op zichzelf en in onderlinge samenhang bezien, bevoegd was om de inrichting te sluiten.
5.5.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Was de sluiting van de horeca-inrichting voor drie maanden noodzakelijk?
6. Eiser stelt dat het tijdsverloop van drie maanden tussen de vermeende ongewenste en/of illegale activiteiten en de sluiting van de horeca-inrichting, maakt dat geen noodzaak meer bestond om de horeca-inrichting te sluiten. In het verlengde stelt eiser dat door het tijdsverloop niet meer kan worden geoordeeld dat de sluiting nodig is voor herstel van de openbare orde. De burgemeester had volgens eiser moeten volstaan met een waarschuwing.
6.1.
Dat de burgemeester bevoegd is tot sluiten, betekent niet zonder meer dat daartoe dan ook moet worden overgegaan. In het kader van de evenredigheidstoetsing, beoordeelt de rechtbank of de sluiting noodzakelijk was of dat de burgemeester had kunnen en dus moeten volstaan met een minder ingrijpend middel. [8]
6.2.
De rechtbank overweegt dat het feit dat enige tijd ligt tussen de datum van de ongewenste activiteiten en de sluiting, niet maakt dat de noodzaak ontbreekt en van handhaving moet worden afgezien. Ook volgt uit rechtspraak niet dat bij het ontbreken van de noodzaak tot herstel van de openbare orde, de sluiting niet noodzakelijk zou kunnen zijn voor andere met de sluiting te dienen doelen. [9] Uit de Horecanota volgt dat het handhavingsarrangement met betrekking tot de tijdelijke sluiting van horeca-inrichtingen erop is gericht te voorkomen dat er ongewenste en/of illegale activiteiten plaatsvinden. Dergelijke activiteiten hebben een (negatieve) impact op de openbare orde en veiligheid en het woon- en leefklimaat. Hieruit leidt de rechtbank af dat de openbare orde ook in het geding kan zijn zonder dat sprake is van een ernstige en acute verstoring die een spoedsluiting rechtvaardigt. De rechtbank oordeelt dat de burgemeester daarbij veel gewicht heeft kunnen toekennen aan het feit dat een vuurwapen aanwezig was in de horeca-inrichting, welke omstandigheid in de Horecanota expliciet wordt benoemd als aanleiding voor een tijdelijke sluiting. Bovendien is met dat vuurwapen vrijwel direct na het verlaten van de horeca-inrichting (binnen 35 seconden) iemand beschoten. Ook heeft de burgemeester vastgesteld dat dit vuurwapen in de horeca-inrichting aanwezig kon zijn, omdat de portier in strijd met het exploitatieplan niet iedereen heeft gefouilleerd. Daarmee is sprake van meerdere ongewenste en/of illegale activiteiten die een sluiting rechtvaardigen. De burgemeester heeft zich op het standpunt kunne stellen dat deze feiten en omstandigheden een grote impact hebben op het woon- en leefklimaat waarbij het veiligheidsniveau in de buurt al beneden gemiddeld is en het centrum van Rotterdam als veiligheidsrisicogebied is aangewezen en ingrijpen dus noodzakelijk is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de sluiting deze doelen niet dient.
6.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Was de sluiting van de horeca-inrichting evenwichtig?
7. Eiser stelt tot slot dat hij maatregelen heeft getroffen om herhaling van de ongewenste en/of illegale activiteiten te voorkomen. Hij heeft binnen een week na het incident een andere beveiliger ingeschakeld en het camerasysteem aangepast. Daarbij stelt eiser dat fouilleren mensenwerk is en dat niet kan en mag worden verwacht dat over de gehele avond de controle 100% is.
7.1.
De rechtbank overweegt dat als de burgemeester zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van het pand noodzakelijk is, de rechtbank moet nagaan of de maatregel en dan met name de duur van de sluiting evenwichtig is, ook als de duur in overeenstemming is met een beleidsregel.
7.2.
De rechtbank overweegt dat de burgemeester zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de met de maatregelen te dienen doelen (beperken impact op de openbare orde en veiligheid en het woon- en leefklimaat en het voorkomen van herhaling) zwaarder wegen dan de belangen van eiser. [10] Hoewel de rechtbank ziet dat eiser na het incident adequaat heeft gehandeld om herhaling te voorkomen, leiden die maatregelen er op grond van rechtspraak niet toe dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. [11] Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat 100% fouillering een voorwaarde is uit het exploitatieplan en dat dan ook verwacht mag worden – mede uit oogpunt van veiligheid – dat die voorwaarde wordt nageleefd. Daarbij wordt meegenomen dat eiser bekend is dat niet-naleving een grond kan zijn om tot intrekken van de exploitatievergunning of tot tijdelijke sluiting over te gaan. Zelfs als de bijkomende omstandigheden (zoals het sluiten van de rolluiken vanwege sluitingstijd en het niet kunnen waarnemen van de overdracht van het vuurwapen in de horeca-inrichting) aan eiser niet (meer) zou worden tegengeworpen, maakt dat niet dat de maatregel onevenwichtig is. En hoewel het aannemelijk is dat eiser financieel een zware periode heeft doorgemaakt, zoals ter zitting is gesteld, heeft de sluiting niet geleid tot een faillissement, zodat de maatregel ook in dat opzicht niet onevenredig is.
7.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond omdat, gelet op de overweging 5.1., sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover de burgemeester de sluiting heeft gebaseerd op de aangetroffen hoeveelheid shisha-tabak waarvan wordt vermoed dat geen accijns is betaald. Maar de rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit omdat de burgemeester de sluiting wel heeft kunnen baseren op de aanwezigheid van een vuurwapen in de horeca-inrichting en het niet voldoen aan de voorschriften in de exploitatievergunning door niet 100% te fouilleren. Dat betekent dat de sluiting van de horeca-inrichting niet onrechtmatig is.
Omdat het beroep gegrond is moet de burgemeester het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 12 november 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van E.W. van den Brande, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2026.
De griffier is verhinderd om de uitspraak te tekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: het relevante wettelijke kader

Algemene Plaatselijk Verordening Rotterdam 2012
Artikel 1:8 Weigeringsgronden Pro
1. De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd:
in het belang van de openbare orde;
in het belang van de openbare veiligheid;
in het belang van de volksgezondheid;
in het belang van de bescherming van het milieu;
indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt.
Artikel 2:28 Exploitatie Pro openbare inrichting
6. Onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 kan de burgemeester de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, intrekken, wijzigen of schorsen, indien:
a. in of vanuit de openbare inrichting een feit of feiten hebben voorgedaan of aannemelijk is dat in de toekomst zich een feit of feiten gaan voordoen waardoor de openbare orde of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting nadelig zal worden beïnvloed;
de exploitant of de beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit de openbare inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn openbare inrichting strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd, waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;
in strijd is gehandeld met aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen of de in het exploitatieplan beschreven maatregelen;
Artikel 2:30 Sluiting Pro van openbare inrichtingen
1. De burgemeester kan een openbare inrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren:
b. indien een van de in artikel 2:28, vijfde of zesde lid, genoemde situaties zich voordoet;
op grond van een van de in artikel 1:8, eerste lid, onderdelen a tot en met d, bedoelde belangen.
Horecanota, stedelijk beleidskader vergunningen, toezicht en handhaving
Hoofdstuk 6
Ongewenste en/of illegale activiteiten in of vanuit horecabedrijf
Gemeente Rotterdam tolereert niet dat openbare inrichtingen het toneel zijn van strafbare handelingen of een uitvalsbasis zijn voor criminelen. Daarom treedt de gemeente streng op tegen inrichtingen waar dergelijke praktijken plaatsvinden. Van ondernemers wordt verwacht dat zij ervoor zorgen dat in hun bedrijf geen ongewenste en/of illegale activiteiten plaatsvinden.
Onder ongewenste en/of illegale activiteiten in of vanuit het horecabedrijf worden in elk geval (niet uitsluitend) de volgende feiten verstaan:
(…)
- Aanwezigheid (vuur)wapen
(…)
Mede vanwege het georganiseerde en/of ondermijnende karakter van dergelijke ongewenste en/of illegale activiteiten en de impact die dit heeft op de openbare orde en veiligheid en het woon- en leefklimaat, wordt in principe uitgegaan van een sluiting van 3 maanden. Als de feitelijke situatie daarvoor aanleiding geeft, kan de burgemeester besluiten om hiervan af te wijken en te volstaan met een waarschuwing of juist een handhavingsstap over te slaan in het arrangement. Feiten en omstandigheden die relevant zijn bij een dergelijke afweging op dit punt zijn onder andere (niet limitatief):
De aard, duur en omvang van de ongewenste en/of illegale activiteiten.
Constatering van meerdere ongewenste en/of illegale activiteiten.
Verwijtbaarheid, dan wel betrokkenheid van de exploitant, de beheerder(s), de portier(s) en/of het (overige) personeel.
De genomen maatregelen door de exploitant om de openbare orde in en rond de inrichting in voldoende mate herstellen en de medewerking die daarbij wordt verleend aan toezichthoudende instanties.
Aantreffen in de inrichting van personen met antecedenten op het gebied van bovenstaande feiten of aanzien van dergelijke feiten recidiveren.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van 21 mei 2024 van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2024:4609).
2.Horecanota, stedelijk beleidskader vergunningen, toezicht en handhaving, zoals gepubliceerd in Gmb 2024, 124501 (Horecanota).
3.Dit volgt uit artikel 2:30, eerste lid, aanhef en onder b, in combinatie met artikel 2:28, zesde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (APV 2012).
4.Dit volgt uit artikel 2:28, zesde lid, onder a, c en h, van de APV 2012.
5.Dit volgt uit hoofdstuk 6 van de Horecanota.
6.De uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 22 augustus 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:10176), onder 9.3.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 februari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:224) en de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:729).
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van de uitspraak van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285). Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:110).
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2049).
10.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:83).
11.Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2049).