ECLI:NL:RBROT:2026:218

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 5774
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlaging van bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet wegens niet verschijnen op afspraken

In deze uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 16 januari 2026, wordt het beroep van eiser tegen een maatregel van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam behandeld. Eiser had een verlaging van zijn bijstandsuitkering van 100% voor de duur van drie maanden opgelegd gekregen, omdat hij zonder bericht van verhindering niet was verschenen op afspraken die verband hielden met zijn arbeidsinschakeling. De rechtbank oordeelt dat het college terecht deze maatregel heeft opgelegd, aangezien eiser herhaaldelijk zijn verplichtingen niet is nagekomen. De rechtbank legt uit dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de uitnodigingen voor de afspraken niet heeft ontvangen. De rechtbank wijst erop dat het niet verschijnen op deze afspraken een maatregelwaardige gedraging is en dat er geen dringende redenen zijn gebleken om van de maatregel af te zien. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep wordt ongegrond verklaard. De rechtbank benadrukt dat de financiële gevolgen van de maatregel voor rekening van eiser komen, en dat hij niet heeft aangetoond dat hij in ernstige financiële problemen verkeert als gevolg van de maatregel. De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig is opgelegd en dat het college zorgvuldig heeft gehandeld in de besluitvorming.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5774

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.W. Dijke),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. T. Baltus).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen een aan hem door het college opgelegde maatregel op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser is het er niet mee eens dat aan hem een maatregel is opgelegd. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eiser terecht vanaf 1 januari 2025 een maatregel van 3 maanden 100% minder bijstandsuitkering inclusief vakantiegeld heeft opgelegd. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 7 januari 2025 (het primaire besluit) heeft het college de bijstandsuitkering van eiser op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 1 januari 2025 voor de duur van drie maanden met 100% verlaagd.
2.1.
Hangende de bezwaarprocedure heeft eiser een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Op 12 maart 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek van eiser afgewezen. [1]
2.2.
Met het besluit van 17 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en zijn collega mr. A. Kul en de gemachtigde van het college en haar collega mr. J.M. Tang.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Met het besluit van 6 maart 2024 heeft het college de bijstandsuitkering van eiser per 1 maart 2024 voor de duur van één maand met 30% verlaagd. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat eiser op 12 en 13 oktober en 20 november 2023 (zonder bericht) geen gehoor heeft gegeven aan de oproepen om te verschijnen op het gesprek met Sagénn over het traject dat eiser volgt. Hiertegen heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit in rechte vaststaat.
3.1.
Met het besluit van 7 oktober 2024 heeft het college de bijstandsuitkering van eiser per 1 november 2024 voor de duur van één maand met 100% verlaagd. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat eiser (zonder bericht) geen gehoor heeft gegeven aan de oproep om te verschijnen op het gesprek met M&A Teams over een onderzoek naar arbeidsmogelijkheden. Omdat er sprake is van recidive is het percentage van de maatregel verhoogd. Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend. Met de beslissing op bezwaar van 26 februari 2025 zijn de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Met de uitspraak van 14 oktober 2025 met kenmerk ROT 25/3097 heeft de rechtbank Rotterdam het beroep ongegrond verklaard.
4. Bij aangetekende brief van 14 augustus 2024 is eiser opnieuw uitgenodigd ten behoeve van het Arbeidsontwikkeltraject. In de brief staan afspraken gepland voor maandag 26 augustus 2024, dinsdag 27 augustus 2024 en woensdag 28 augustus 2024. Deze uitnodiging is ook per gewone post en per e-mail verzonden. Eiser is zonder bericht van verhindering niet verschenen. Op 13 september 2024 is de aangetekende brief retour ontvangen.
4.1.
Bij aangetekende brief van 27 november 2024 is eiser uitgenodigd voor een hoor-/wederhoorgesprek op 12 december 2024. Eiser is zonder bericht van verhindering niet verschenen. Deze brief is niet retour gekomen. Als de aangetekende brieven niet afgehaald worden, krijgt de afdeling Bedrijfsvoering van het college een lijst hiervan en de teruggekomen brief met een track en trace code. De teruggekomen brief wordt dan gescand in het systeem RMW van het college. Over de brief van 27 november2024 is geen melding van een teruggekomen brief met track en trace gekomen, zodat het college vindt dat het aannemelijk is dat de brief door eiser is opgehaald en het college het primaire besluit heeft genomen.
4.2.
Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat eiser zonder bericht van verhindering niet is verschenen op de afspraken van 26, 27 en 28 augustus 2024 ten behoeve van het Arbeidsontwikkeltraject voor een onderzoek naar zijn mogelijkheden om te gaan werken. De duur van de maatregel is verlengd omdat eiser zich opnieuw verwijtbaar heeft gedragen. Er is volgens het college niet gebleken van dringende redenen die moeten leiden tot het verlagen of afzien van de maatregel.
Het standpunt van eiser
5. Eiser betwist dat hij zijn verplichtingen niet is nagekomen. De uitnodiging van
14 augustus 2024 heeft hem niet bereikt. Dat de aangetekende brieven retour zijn gestuurd, heeft het college niet aangetoond. Het door het college overgelegde retourbewijs heeft geen betrekking op de brief van 14 augustus 2024. Er is ook geen afhaalbericht bij eiser achtergelaten. Onder overlegging van een overzicht van zijn inbox tijdens de voorlopige voorziening procedure stelt eiser dat hij de uitnodiging ook niet per e-mail heeft ontvangen.
Eiser betoogt dat de post waarschijnlijk is achtergehouden door een medebewoner en daarnaast zijn er in zijn algemeenheid problemen met de postbezorging. Eiser heeft geen afhaalbericht aangetroffen voor de aangetekende brieven van 14 augustus 2024 en 10 september 2024. Eiser betoogt dan ook dat het niet onaannemelijk is dat de uitnodigingen hem niet hebben bereikt. Het besluit is volgens eiser niet zorgvuldig genomen, omdat het college lang heeft gewacht met het opleggen van de maatregel, de maatregel heeft doen ingaan in de maand dat het besluit bekend werd gemaakt en kort volgt op de maatregel van 100% in de maand november 2024. Eiser betoogt verder dat het besluit niet evenredig is. Eiser bouwt als gevolg van de opgelegde maatregel schulden op. Hij heeft nagenoeg geen saldo op zijn bankrekening en geen huur betaald over de maanden februari, maart en april 2025. Eiser kan niet in zijn eigen kosten voor levensonderhoud voorzien. De hoogte van de maatregel staat volgens hem niet in verhouding tot de verweten gedraging, waarvan eiser bovendien stelt dat deze niet heeft plaatsgevonden omdat de uitnodigingen hem niet hebben bereikt. De schulden voor de huur en de zorgpremie moeten worden voldaan ook als er de mogelijkheid is tot het treffen van een betalingsregeling. De schulden zijn behoorlijk hoog in verhouding tot zijn bijstandsuitkering. Eiser betoogt tot slot dat er geen grond is voor het opleggen van de maatregel omdat hij niet direct gebruik heeft gemaakt van de inkeerregeling op 21 februari 2025. De grondslag voor de maatregel is het niet zijn verschenen op een afspraak en niet het niet tijdig gebruik hebben gemaakt van de inkeerregeling.
Juridisch kader
6. De voor de beoordeling van het beroep relevante wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Het oordeel van de rechtbank
7. Het betoog van eiser dat de uitnodigingen hem niet hebben bereikt, slaagt niet.
Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de uitnodiging voor een 2-daagse training (BooStcamp) en een persoonlijk gesprek met een trainer op de derde dag niet heeft ontvangen. Bij de toekenning van de bijstandsuitkering is met eiser afgesproken dat hij bereikbaar is per telefoon en e-mail. Het college heeft de uitnodiging op 14 augustus 2024 zowel per gewone post als per aangetekende brief als per e-mail verzonden. In het ‘Overzicht contacten RAAK’ is een kopie van deze e-mail opgenomen. Ter zitting heeft het college in kopie stukken overgelegd, waaronder de aan eiser aangetekend verzonden brief van 14 augustus 2024 en de envelop waaruit blijkt dat het college op 13 september 2024 deze brief retour heeft ontvangen. Er mag van worden uitgegaan dat eiser een afhaalbericht van deze aangetekende brief heeft ontvangen. In beginsel geldt het uitgangspunt dat de gevolgen hiervan volledig voor rekening en risico komen van de geadresseerde die het aangetekende stuk niet heeft opgehaald. [2] Voor zover eiser stelt dat hij geen afhaalberichten heeft ontvangen, ligt het op zijn weg feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten. Het enkel persisteren daartoe is onvoldoende. Daar komt bij dat, conform de bij de toekenning van de bijstandsuitkering gemaakte afspraken, het college de uitnodiging ook per e-mail heeft verzonden. Dat eiser (ook) deze e-mail niet heeft ontvangen, is niet aannemelijk gemaakt. Voor zover eiser stelt dat er problemen zijn met de verwerking van de post nadat die op zijn adres is bezorgd, komt dit naar het oordeel van de rechtbank voor zijn rekening en risico. Eiser hoort zorg te dragen voor de ontvangst van zijn post. Het college heeft hier geen rol in. Dit betekent dat eiser zonder geldige reden niet is verschenen op de oproep van het college.
8. De rechtbank is van oordeel dat het niet verschijnen van eiser op de afspraken van 26, 27 en 28 augustus 2024 een maatregelwaardige gedraging is. Het verschijnen op een oproep in verband met de mogelijkheden om te gaan werken (arbeidsinschakeling) is namelijk een verplichting waaraan eiser zich moet houden. Dit volgt uit artikel 5, tweede lid, aanhef onder b en 4, van de Verordening maatregelen en handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ van de gemeente Rotterdam. Eiser heeft zich niet aan die verplichting gehouden, omdat het aannemelijk is dat hij de uitnodiging(en) voor de afspraken van 26, 27 en 28 augustus 2024 heeft ontvangen. Vervolgens is hij niet verschenen.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid en dat het college dus terecht een maatregel heeft opgelegd.
9. Het betoog van eiser dat het besluit niet zorgvuldig is genomen omdat het college te lang heeft gewacht, de maatregel heeft doen ingaan in de maand dat het besluit bekend werd gemaakt en kort volgt op de maatregel van 100% in de maand november 2024, slaagt ook niet. Naar het oordeel van de rechtbank is het enkele tijdsverloop tussen de geconstateerde overtreding en het primaire besluit (ruim vier maanden) op zichzelf geen reden om van het opleggen van de maatregel af te zien. Bovendien heeft het college, alvorens het bestreden besluit te nemen, geprobeerd eiser uit te nodigen voor een hoor- en wederhoorgesprek. Voor een zorgvuldige besluitvorming is het college mede afhankelijk van eiser en moet het college enige tijd worden gegund. Verder geldt dat het college eiser is tegemoetgekomen door niet direct na de oplegde maatregel van 7 oktober 2024 het primaire besluit te nemen.
10. Het betoog dat de verlaging eiser onevenredig zwaar treft, slaagt evenmin.
Van belang is dat eiser heeft volhard in zijn gedrag en bij herhaling zonder bericht niet is verschenen op afspraken over het onderzoek naar de mogelijkheden tot werk. Er is sprake van opvolgende recidive. De financiële gevolgen daarvan moeten in beginsel voor rekening en risico van eiser komen. [3] Van dringende redenen om af te zien van het opleggen van een maatregel is slechts sprake als de maatregel tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Daarvan is in het geval van eiser niet gebleken. De stelling van eiser dat hij door de korting van 100% gedurende drie maanden in betalingsproblemen komt, hij niet kan voorzien in levensonderhoud en dat hij zijn schulden niet kan aflossen, is niet met stukken onderbouwd. Eiser ontvangt een uitkering naar een volledige bijstandsnorm van € 1.278,18 per maand voor een alleenstaande. Gezien dit inkomen in combinatie met relatief lage totale vaste lasten, wordt eiser geacht in staat te zijn schulden in termijnen in te lopen.
11. Ook het betoog van eiser dat het college de inkeerregeling ten onrechte niet heeft toegepast, slaagt niet. Zoals de Centrale Raad van Beroep [4] in zijn uitspraak van 8 oktober 2019 heeft overwogen, heeft een maatregel als geregeld in artikel 18, vierde lid, van de Pw, een reparatoir karakter. Dat wil zeggen dat deze erop is gericht dat de betrokkene zijn gedrag (wederom) in overeenstemming brengt met de eisen die de wet daaraan stelt. Wanneer de beoogde gedragsverandering heeft plaatsgevonden, vervalt het verdere doel van de maatregel. In artikel 18, elfde lid, van de Pw is dan ook bepaald dat het bestuursorgaan de verlaging op verzoek van de betrokkene kan herzien, zodra uit de houding en gedragingen van belanghebbende ondubbelzinnig is gebleken dat hij de verplichtingen, bedoeld in het vierde lid, nakomt. Dit wordt de inkeerregeling genoemd.
12. Het ligt op de weg van eiser om de feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken waaruit volgt dat hij na het opleggen van de maatregel alsnog aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Uit de houding en gedragingen van eiser is niet ondubbelzinnig gebleken dat hij de verplichtingen, bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Pw, nakomt. Onder die omstandigheden kan van het college in redelijkheid niet worden verlangd bij het bestreden besluit toepassing aan de inkeerregeling te geven. De momenten van indienen van een zienswijze en het gesprek met het college zijn gelegen voordat het besluit tot het opleggen van een maatregel is genomen en voorafgaand aan de periode waarop de maatregel ziet. Het college heeft daarom terecht hierin geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan de inkeerregeling.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.V. van Baaren, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Het volgende toetsingskader is van toepassing.
Het verschijnen op een oproep in verband met de arbeidsinschakeling is een verplichting (van de tweede categorie) waaraan een bijstandsontvanger zich moet houden. Dat volgt uit artikel 5, tweede lid, aanhef en onder b en 4, van de Verordening maatregelen en handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ van de gemeente Rotterdam (de Verordening)
Uit het eerste lid van dat artikel volgt, voor zover hier van belang, dat het college de bijstandsnorm verlaagt bij het niet nakomen van deze verplichting.
Als er sprake is van recidive binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is toegepast, wordt een (zwaardere) maatregel opgelegd van 100% gedurende drie maanden in plaats van 100% gedurende één maand (artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening).
Het college ziet af van het opleggen van een maatregel als elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt (artikel 18, negende lid, van de Pw).

Voetnoten

1.De uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 maart 2025 is bekend onder het kenmerk
2.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 8 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1415.
3.Vergelijk de uitspraken van de Raad van 2 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1680 en 22 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1796.
4.Zie de uitspraak van de Raad van 8 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3266.