27.1.De rechtbank overweegt dat het opleggen van een boete in dit geval een geschikt middel is om het met het opleggen beoogde doel te bereiken. Dit gelet op het volharden van [afkorting naam eiseres] in structurele overtredingen na het lichte middel van een aanwijzing. Een minder ingrijpend middel zal hier niet het gewenste, afschrikwekkende effect hebben. Het moet bovendien niet alleen [afkorting naam eiseres] van toekomstige overtredingen afhouden maar dient ook (andere) potentiële overtreders af te schrikken. Anders dan [afkorting naam eiseres] stelt, kan uit het aanmerken van de maatregelen die [afkorting naam eiseres] wilde implementeren als boeteverlagende omstandigheid niet worden afgeleid dat de [afkorting verweerder] heeft vastgesteld dat [afkorting naam eiseres] aan de aanwijzing heeft voldaan of dat bij een langere termijn om aan de aanwijzing te voldoen de [afkorting verweerder] waarschijnlijk andere conclusies had getrokken. De door [afkorting naam eiseres] gestelde terugbetaling aan de zorgverzekeraars doet evenmin af aan de noodzaak tot het opleggen van de boetes.
28. [afkorting naam eiseres] voert verder aan dat de boete niet evenwichtig is gelet op de voor haar negatieve gevolgen daarvan. [afkorting naam eiseres] heeft namelijk als gevolg van de sanctie van de [afkorting verweerder] haar lidmaatschap van de ZKN en daardoor haar certificering verloren. Verder heeft zij bezoeken van de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en discussies met zorgverzekeraars over nieuwe overeenkomsten gehad. [afkorting naam eiseres] heeft het afgelopen jaar ontzettend hard gewerkt om weer haar certificering te verkrijgen en om de relatie met de zorgverzekeraars en met de IGJ te herstellen. Dat is uiteindelijk ook gelukt. Een bestuurlijke boete van € 420.000 daarbovenop is in de optiek van [afkorting naam eiseres] niet redelijk, zeker niet nu zij
ongeveer een halfjaar na het opleggen van de aanwijzing door de [afkorting verweerder] haar registratiewerkwijze heeft aangepast (terwijl de landelijke pandemie nog in volle gang was).
29. De rechtbank is van oordeel dat dit niet betekent dat boeteoplegging als zodanig daardoor onevenwichtig is. Indien het standpunt van [afkorting naam eiseres] zou worden gevolgd, dan zou de [afkorting verweerder] bij hardnekkige overtreding van de regels omtrent factureren en administreren met lege handen komen te staan. Om in dit verband negatieve gevolgen mee te kunnen wegen
had [afkorting naam eiseres] op zijn minst ook inzichtelijk moeten maken wat de gevolgen zijn van het verlies aan certificering, van de bezoeken van de IGJ en van de discussies met zorgverzekeraars en dat heeft zij niet gedaan. Verder blijkt uit de aanwijzing (en dit wist zij ook al ruimschoots daarvoor) wat [afkorting naam eiseres] moest doen om aan de Wmg te voldoen. Het een half jaar na de aanwijzing aanpassen van haar registratiewerkwijze en daarmee het herstellen van fouten uit het verleden, maakt niet dat de opgelegde boete onevenwichtig is.
Boeteverlagende omstandigheid
30. Volgens artikel 8.4 van de Boetebeleidsregel kan de omstandigheid dat de betrokken onderneming uit eigen beweging de benadeelde partij(en) schadeloos heeft gesteld een boeteverlagende omstandigheid zijn.
31. De [afkorting verweerder] stelt dat het schadeloos stellen in dit verband ziet op de schade die bestaat uit de te veel gedeclareerde bedragen naar aanleiding van de foutieve registratie- en declaratiewijze van [afkorting naam eiseres] in de periode van de nacontrole (eind november 2020 tot eind juni 2021). Zij voert in dit verband - kort gezegd - aan dat uit de overzichten (en correspondentie met zorgverzekeraars) die [afkorting naam eiseres] heeft overgelegd, niet blijkt dat er schadeloos is gesteld voor die schade. Er is dus geen sprake van terugbetaling van het onrechtmatig verkregen voordeel aan benadeelde partijen naar aanleiding van de door de [afkorting verweerder] vastgestelde overtredingen. Ook is relevant dat de onderzoeken van de
zorgverzekeraars en de [afkorting verweerder] zowel in intensiteit als methode verschillen. De zorgverzekeraars verrichten materiële controles en de [afkorting verweerder] doet gerichte en gedetailleerde onderzoeken naar overtredingen. Anders dan de [afkorting verweerder] , betrekken de zorgverzekeraars bij dergelijke controles niet de medische dossiers, lijken de controles ook niet te zijn gericht op de toetspunten 'polikliniek registraties' en 'consistente administratie' en hebben zij vooral gekeken naar een selectie van problematische diagnoses, terwijl de [afkorting verweerder] van de geselecteerde patiënten alle diagnoses heeft meegenomen. De rechtbank volgt de [afkorting verweerder] hierin en is van oordeel dat de [afkorting verweerder] om deze redenen de door [afkorting naam eiseres] gestelde terugbetaling aan zorgverzekeraars niet als boeteverlagende omstandigheid heeft kunnen aanmerken.
32. [afkorting naam eiseres] betoogt in beroep dat het ontbreken van een termijn in de aanwijzing een boeteverlagende omstandigheid is, omdat het immers viel te verwachten dat [afkorting naam eiseres] zo kort na de aanwijzing haar interne registratie- en declaratiewijze nog niet aangepast zou hebben. De rechtbank overweegt dat [afkorting naam eiseres] heeft berust in de aanwijzing en ook in de periode na de aanwijzing - zelfs nog tot een half jaar na de aanwijzing - overtredingen heeft begaan zodat er daarom al geen reden is voor een matiging van de boete.
Ernst van de overtreding - financieel gewin
33. Bij de ernst van de overtreding heeft de [afkorting verweerder] meegewogen dat de gedragingen van [afkorting naam eiseres] financieel voordeel hebben opgeleverd en dat dergelijke overtredingen uiteindelijk in de zorg een prijsopdrijvend effect hebben. De [afkorting verweerder] gaat er daarbij van uit dat [afkorting naam eiseres] in de twaalf patiëntendossiers tenminste 23% van het totaal gedeclareerde bedrag te veel heeft
gedeclareerd (financieel voordeel). Anders dan [afkorting naam eiseres] aanvoert, is dit niet gebaseerd op de omvang die uit de risico-massa is gekomen en een daarbij behorend specifiek totaalbedrag dat [afkorting naam eiseres] aan financieel voordeel zou hebben behaald. Voor het financieel voordeel is - zoals ook al blijkt uit het toezichtsrapport en ter zitting nogmaals door de [afkorting verweerder] is toegelicht - over een en dezelfde periode, op basis van dezelfde sets patiëntendossiers en declaratiedata, berekend wat de zorgaanbieder in die dossiers had mogen declareren en wat er werkelijk gedeclareerd is. De rechtbank volgt de [afkorting verweerder] dat op die manier betrouwbaar kan worden vastgesteld of een zorgaanbieder financieel voordeel heeft behaald met de wijze van declareren. [afkorting naam eiseres] heeft niet aannemelijk gemaakt dat die berekening niet klopt. Dat [afkorting naam eiseres] met de zorgverzekeraars naar aanleiding van materiële controles tot een bepaald bedrag aan correcties is gekomen ( [afkorting naam eiseres] stelt dat zij ongeveer 1.5% van haar productie moest terugbetalen) doet niet af aan de conclusie van de [afkorting verweerder] over het financieel voordeel, ook al niet omdat - zoals blijkt uit onder 31 - er naar hun aard sprake is van verschillende onderzoeken.
34. De rechtbank acht de opgelegde boete van in totaal € 420.000 passend en geboden.
Overschrijding van de redelijke termijn?
35. [afkorting naam eiseres] stelt dat de boete dient te worden gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
36. In bestuurlijke boetezaken geldt dat de redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase langer dan twee jaar heeft geduurd, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die een langere termijn rechtvaardigen. De termijn begint op het moment waarop een handeling is verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete wordt opgelegd. Dat is in dit geval het moment waarop het voornemen tot boeteoplegging door de [afkorting verweerder] ter kennis van [afkorting naam eiseres] is gebracht, te weten: de toezending van het toezichtrapport op 8 september 2022. Vanaf dat moment tot aan de datum van de uitspraak van de rechtbank is een periode van drie jaar en ruim vier maanden verstreken, zodat de redelijke termijn is overschreden met meer dan twaalf maanden.
37. De [afkorting verweerder] heeft ter zitting verzocht bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden de processuele houding van [afkorting naam eiseres] te betrekken omdat [afkorting naam eiseres] voor een groot deel van de vertraging verantwoordelijk is. De [afkorting verweerder] stelt dat [afkorting naam eiseres] in de fase na het toezichtrapport zelf herhaaldelijk heeft verzocht haar een (zeer) ruime termijn te gunnen voor het indienen van haar zienswijze en om de hoorzitting later te plannen. [afkorting naam eiseres] heeft de zienswijze uiteindelijk pas een half jaar later toegezonden. Zij heeft daarna opnieuw verzocht haar een ruime termijn te gunnen voor het indienen van de bezwaargronden en de aanvullend geboden termijn vervolgens weer overschreden. Daarna heeft zij in bezwaar gevraagd de hoorzitting meer dan 1,5 maand later te plannen dan voorgesteld, aldus de [afkorting verweerder] .
38. De rechtbank overweegt dat de invloed van de belanghebbende en/of diens gemachtigde op de duur van het proces, bijvoorbeeld door het doen van herhaalde verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of om uitstel voor (het voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen, kan worden gerekend tot bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor verlenging van de redelijke termijn. In de hiervoor genoemde termijn van twee jaar wordt al rekening gehouden met de omstandigheid dat in een niet onaanzienlijk deel van de gevallen aan partijen vier weken de tijd wordt gegund voor herstel van eventuele verzuimen in hun bezwaar- of beroepschrift, en dat het ook niet ongebruikelijk is dat aan partijen vier weken uitstel wordt verleend voor het indienen van nadere processtukken. Van het tijdsverloop dat daarmee gemoeid is, kan niet worden gezegd dat het wordt veroorzaakt door een bijzondere omstandigheid.Verder is het de verantwoordelijkheid van de [afkorting verweerder] om bij verzoeken om uitstel in de bezwaarfase ook de redelijke termijn in de gaten te houden wat kan betekenen dat niet steeds (onverkort) met dergelijke verzoeken wordt ingestemd. De processuele houding van [afkorting naam eiseres] is niet zodanig geweest dat hierdoor de voortgang van de procedure is gefrustreerd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er in deze zaak geen sprake is van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld.
39. Uit vaste rechtspraak van het CBb volgt dat in gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden naar bevind van zaken wordt gehandelden dat is doorgaans 15% matiging van de totale boete.De rechtbank ziet hierin aanleiding om de boete van € 420.000 te matigen met 15% (€ 63.000) tot een bedrag van € 357.000.