Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen
Samenvatting
.Wel heeft het college het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden door eiseres niet te horen over een eventuele wijziging van de grondslag in bezwaar. De rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
- een verklaring van de Turkish School in Doha;
- een foto van vluchtgegevens van eiseres met als datum van aankomst in Amsterdam 10 juni 2023.
3.5. De moeder heeft op 15 februari 2024 vliegtickets van 2023 aan het college toegestuurd.
3.6. Op 6 maart 2024 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Met het bestreden besluit is het college bij de uitschrijving gebleven. Het college heeft wel besloten om eiseres per 25 januari 2024 in plaats van 7 juli 2023 uit te schrijven. Ook heeft het college de grondslag voor de uitschrijving in bezwaar gewijzigd naar artikel 2.21, tweede lid, van de Wet brp.
5.5. De vraag rijst welke gevolgen aan deze gebrekkige besluitvorming moeten worden verbonden. De rechtbank heeft eiseres op de zitting gevraagd welk nadeel zij ervan heeft ondervonden. Eiseres heeft daarop enkel concreet benoemd dat verwarring is ontstaan. De rechtbank overweegt dat eiseres zich in beroep heeft kunnen uitlaten over de nieuwe grondslag. Zij heeft de toepasselijkheid van die grondslag niet bestreden, maar erkend dat zij (net) minder dan een derde van een jaar in Nederland heeft verbleven (120 dagen in plaats van de vereiste 121,7 dagen). Zij heeft in beroep enkel aangevoerd dat de besluitvorming gebrekkig is verlopen en dat de uitschrijving onevenredige gevolgen heeft. Het is daarom aannemelijk dat eiseres niet is benadeeld door het gebrek. De rechtbank zal het gebrek dan ook passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb.
Het ongeschreven evenredigheidsbeginsel kan echter wel een rol spelen. Een wet in formele zin kan buiten toepassing worden gelaten indien bijzondere omstandigheden die door de wetgever niet of niet ten volle zijn verdisconteerd, de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht (zoals het ongeschreven evenredigheidsbeginsel), dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit betekent voor deze zaak dat het college bij de vraag of is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 2.21, tweede lid, van de Wet brp geen belangenafweging hoeft te maken, maar uiteindelijk ‘onder de streep’ nog wel moet beoordelen of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van deze bepaling tot een onevenredige uitkomst zou leiden. Daarbij gaat het dan alleen nog om de evenwichtigheid. Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor een of meer belanghebbenden onredelijk bezwarend is. Het voorgaande geldt ook bij de toetsing door de bestuursrechter van het in beroep bestreden besluit. [4]