Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
[naam firma]uit [plaats] (vergunninghoudster)
De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten bouwen, planologisch strijdig gebruik en het veranderen en in werking hebben van een inrichting (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, c en e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)). Het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het bouwplan is op één punt in strijd met het geldende bestemmingsplan “ [naam bestemmingsplan] ”. De nieuwe stal is 8,80 m hoog en daarmee wordt de maximale bouwhoogte van 8 m uit het bestemmingsplan overschreden. Het college heeft de afwijking van het bestemmingsplan voor de bouwhoogte vergund met toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in artikel 9.1, onder a, van de planregels in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 1º, van de Wabo.
De melkveehouderij is een bestaande inrichting, die door de uitbreiding voor het eerst vergunningplichtig wordt.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 31 juli 2019. Dat betekent dat in dit geval het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Zijn alle onlosmakelijk samenhangende activiteiten aangevraagd?
Volgens artikel 1.1, eerste lid, van de Wabo is een onlosmakelijke activiteit een activiteit die behoort tot verschillende categorieën activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2. Het gaat hierbij om situaties waarin één fysieke handeling onder meerdere categorieën vergunningplichtige activiteiten valt. In dergelijke gevallen vereist artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo dat alle onlosmakelijke activiteiten binnen het project tegelijk worden aangevraagd.
Eiser heeft gewezen op de samenhang tussen de nieuwe stal enerzijds en de bestaande stal en andere bestaande bedrijfsactiviteiten, zoals de mestopslag, anderzijds. Uit artikel 1.1, eerste lid, van de Wabo volgt dat dit geen onlosmakelijke activiteiten zijn. Daarnaast heeft eiser gewezen op de bouw van een damwand en de installatie van zonnepanelen op de bestaande stal. Ook dit zijn, voor zover het al om vergunningplichtige activiteiten gaat, geen onlosmakelijke activiteiten. Deze activiteiten zijn fysiek namelijk duidelijk te onderscheiden van de bouw en ingebruikname van de nieuwe stal en de uitbreiding van het aantal dieren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de aanvraag alle onlosmakelijke activiteiten als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo omvat. De beroepsgrond slaagt niet.
Eiser betoogt voorts dat de m.e.r.-beoordelingsbesluiten van 6 april 2018 en 26 augustus 2022 onvoldoende zijn onderbouwd. Volgens hem had een MER moeten worden gemaakt, omdat het aantal dieren na de uitbreiding de drempelwaarde van 200 stuks melkvee ouder dan 2 jaar en 340 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar uit categorie D.14 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) overschrijdt. Voor de beoordeling van de milieugevolgen moet volgens hem naar het bedrijf als geheel worden gekeken en niet alleen naar de uitbreiding. Daarnaast betoogt eiser dat de gevolgen voor beschermde natuurgebieden zijn onderschat en dat er voor geur en luchtkwaliteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn. Verder zijn de nadelen van mestopslag, mestafvoer en weidebemesting volgens eiser onvoldoende meegewogen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college tot de conclusie kunnen komen dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten die het opstellen van een MER noodzakelijk maken. Na de eerdere m.e.r.-beoordelingsbesluiten uit 2018 en 2020, waarin op de criteria uit bijlage III bij de Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (2011/92/EU) is ingegaan, heeft het college naar aanleiding van de nieuwe aanvraag opnieuw beoordeeld of nog van de vormvrije m.e.r.-beoordeling uit 2018 kon worden uitgegaan. Wat eiser naar voren heeft gebracht, biedt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concrete aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie dat geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De beroepsgrond slaagt niet.
Als voor een activiteit naast een omgevingsvergunning voor bouwen en milieu als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en e, van de Wabo ook een vergunning op grond van de Wnb nodig is, kan de aanvrager kiezen of hij deze trajecten afzonderlijk of gecoördineerd wil doorlopen. Alleen als er op het moment van het besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning nog geen Wnb-vergunning is aangevraagd of verleend, bestaat op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo in samenhang met artikel 2.2aa, aanhef en onder a, van het Bor de verplichting om tegelijkertijd voor die activiteit een natuurtoestemming als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo aan te vragen (zie de uitspraak van de Afdeling van 11 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3775). In dit geval geldt deze aanhaakverplichting echter niet. De Wnb-vergunning is namelijk aangevraagd op 9 augustus 2022 en dus al vóór de datum van het bestreden besluit. Vergunninghoudster kon de Wnb-vergunning voor het project daarom afzonderlijk aanvragen.
Wat betreft ammoniak en geur stelt eiser dat is getoetst op basis van verouderde rapporten, in het bijzonder het rapport “Stallucht en Planten” van IMAG uit 1981, en discutabele afstandseisen.
Over fijnstof betoogt eiser dat volgens het college weliswaar voldaan wordt aan de grenswaarden uit bijlage 2 bij de Wmb, maar dat de wettelijke grenswaarden ver boven de door de WHO in 2021 geactualiseerde advieswaarden voor PM10 en PM2,5 liggen. Het college had daar rekening mee moeten houden.
Eiser is het daarnaast oneens met vergunningvoorschrift 3.2.1, waarin is bepaald dat binnen drie maanden na het verlenen van de omgevingsvergunning alsnog een akoestisch onderzoek moet worden overgelegd aan het bevoegd gezag. Volgens hem had een akoestisch onderzoek moeten worden uitgevoerd vóór de verlening van de vergunning.
Door de toepassing van het emissiearme stalsysteem BWL 2013.04.V6 worden de emissies van ammoniak en geur sterk beperkt. In de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) zijn in de stalbeschrijving voorschriften opgenomen waaraan moet worden voldaan. Deze voorschriften vormen een waarborg dat de berekende emissiereductie voor ammoniak, geur en fijnstof daadwerkelijk wordt behaald. Het college heeft een aantal van de maatregelen uit de stalbeschrijving BWL 2013.04.V6 ook in de voorschriften van de omgevingsvergunning opgenomen. Het college erkent dat er onzekerheid is ontstaan over de werkelijke emissies van emissiearme stalsystemen, maar stelt dat voor de natuurvergunning een ander toetsingskader geldt dan voor de omgevingsvergunning. Het college stelt zich op het standpunt dat het aangevraagde stalsysteem nog steeds als bbt kan worden aangemerkt.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat met het toegepaste stalsysteem geen sprake is van de toepassing van bbt.
- rapporten
- ammoniak
Gelet hierop hoefde het college in zoverre geen reden te zien om de omgevingsvergunning in het belang van de bescherming van het milieu te weigeren.
- geur
Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. De WHO-waarden zijn advieswaarden die geen dwingende status hebben. Voor zover eiser bedoelt dat het college de omgevingsvergunning op grond van het voorzorgsbeginsel had moeten weigeren vanwege de gezondheidseffecten van fijnstof, is van belang dat het toetsingskader van artikel 2.14, derde lid, van de Wabo aan het bevoegd gezag niet de ruimte geeft om een omgevingsvergunning voor milieu uitsluitend uit voorzorg te weigeren. Het college moet nagaan of het belang van de bescherming van het milieu eraan in de weg staat dat de vergunning wordt verleend. Dit betekent dat het aan het bevoegd gezag is de belangen te benoemen die zich verzetten tegen het toelaten van de aangevraagde milieuactiviteit. Alleen belangen waarover voldoende duidelijkheid en zekerheid bestaat, kunnen in dit verband een rol spelen. Ook voor belangen die zijn gerelateerd aan gezondheid betekent dit dat op grond van algemeen wetenschappelijk aanvaarde inzichten moet vast staan dat de activiteit waarvoor de vergunning wordt gevraagd zodanige risico’s oplevert, dat om die reden nadere voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden dan wel dat de vergunning om die reden moet worden geweigerd (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van
23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:556). Naar het oordeel van de rechtbank is dat op dit moment niet het geval en hoefde het college niet in afwijking van de wettelijke luchtkwaliteitsgrenswaarden uit bijlage 2 bij de Wmb uit te gaan van de strengere WHO-advieswaarden voor PM10 en PM2,5.
Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er in zoverre geen reden is om de omgevingsvergunning voor de verandering van de inrichting in het belang van de bescherming van het milieu te weigeren.
e. 1°. het oprichten,
(…)
i. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.
(…)
(…)
(…)
Wet milieubeheerArtikel 5.161. Bestuursorganen maken bij de uitoefening van een in het tweede lid bedoelde bevoegdheid of toepassing van een daar bedoeld wettelijk voorschrift, welke uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, gebruik van een of meer van de volgende gronden en maken daarbij aannemelijk:
3. Het bevoegd gezag neemt zijn beslissing op grond van de informatie, bedoeld in artikel 7.16, tweede en vierde lid, en houdt bij zijn beslissing rekening met:
Besluit milieueffectrapportageArtikel 2(…)
7°. 200 stuks melk-, kalf- of zoogkoeien ouder dan 2 jaar (Rav cat. A.1 en A.2),
(…)
Wet natuurbeschermingArtikel 2.7(…)
Besluit omgevingsrechtArtikel 2.2aaAls categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, worden tevens aangewezen:
(…)
Wet ammoniak en veehouderijArtikel 1(…)2. Voor de berekening van de ammoniakemissie van een veehouderij wordt het aantal dieren dat in de veehouderij aanwezig mag zijn, vermenigvuldigd met de emissiefactoren.(…)
Regeling ammoniak en veehouderijArtikel 21. Voor de berekening van de ammoniakemissie van een veehouderij worden de emissiefactoren toegepast die zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.
(…)
Wet geurhinder en veehouderijArtikel 21. Bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij betrekt het bevoegd gezag de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot met 9.
(…)