ECLI:NL:RVS:2022:2874
Raad van State
- Hoger beroep
- R. Uylenburg
- G.T.J.M. Jurgens
- B.J. Schueler
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke beoordeling emissiearme stalsystemen en weiden van melkvee in natuurvergunning
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de vergunningverlening voor een melkveehouderij in Baambrugge, waarbij het college van gedeputeerde staten van Utrecht een natuurvergunning verleende voor een emissiearm stalsysteem (A1.23) maar de vergunning voor het weiden van vee weigerde. MOB en Leefmilieu stelden beroep in tegen deze besluiten, waarbij de rechtbank de vergunning vernietigde vanwege onvoldoende zekerheid over de emissiefactoren en het onterecht weigeren van de vergunning voor het weiden.
In hoger beroep bevestigt de Afdeling bestuursrechtspraak dat de emissiefactor uit de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) onvoldoende zekerheid biedt om de emissie van het emissiearme stalsysteem A1.23 te berekenen. Dit volgt uit het CBS-rapport en het CDM-advies die aanwijzingen geven dat de werkelijke ammoniakemissie waarschijnlijk wordt onderschat. De Afdeling wijst het standpunt van het college af dat de bestaande emissiefactoren kunnen worden gebruikt zolang er geen alternatieven zijn vastgesteld, vanwege het voorzorgbeginsel.
Verder oordeelt de Afdeling dat het weiden van vee en het houden van vee in stallen onlosmakelijk met elkaar samenhangen en als één project moeten worden beoordeeld. De emissies van het weiden kunnen intern worden gesaldeerd met de emissies van het bemesten, mits de referentiesituatie van bemesten zorgvuldig wordt vastgesteld aan de hand van het planologisch regime en gebruik van de gronden sinds de referentiedatum (10 juni 1994). De Afdeling stelt nadere criteria vast voor het bepalen van deze referentiesituatie en wijst op de noodzaak van aanvullende informatie in de vergunningaanvraag.
Het hoger beroep van het college en [appellante sub 3A] wordt gegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van MOB en Leefmilieu ongegrond. Het college moet een nieuw besluit nemen rekening houdend met de uitspraak en de proceskosten worden vergoed.
Uitkomst: De Afdeling verklaart het hoger beroep van het college en [appellante sub 3A] gegrond, het incidenteel hoger beroep van MOB en Leefmilieu ongegrond en gelast het college een nieuw besluit te nemen.