Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 29 november 2024, met bijlagen;
- het antwoord, met bijlagen;
- de mail met het aanvullende antwoord van [gedaagde] , met bijlagen;
- de brief van Maasdelta, met bijlagen.
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een geschil tussen Stichting Maasdelta Groep en een huurder die na het overlijden van zijn partner met wie hij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde, in haar woning bleef wonen met hun vier minderjarige kinderen.
Maasdelta eiste ontruiming van twee woningen: een woning die de huurder onderverhuurde zonder toestemming en een woning die op naam van de overleden partner stond. De rechtbank oordeelde dat de ontruiming van de onderverhuurde woning niet van de huurder kan worden verlangd, omdat Maasdelta zelf een procedure moet voeren tegen de onderhuurder.
Voor de woning van de overleden partner oordeelde de rechtbank dat de huurovereenkomst op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro voortgezet moet worden door de huurder, mede vanwege het belang van de minderjarige kinderen en hun stabiele woon- en schoolsituatie. De rechtbank veroordeelde de huurder tot betaling van de huur vanaf 1 november 2024 en tot het voldoen van een openstaande servicekostenrekening.
De belangen van de kinderen, beschermd door het EVRM en het IVRK, wogen zwaar mee in het oordeel. De rechtbank wees de overige vorderingen van Maasdelta af en bepaalde dat partijen hun eigen proceskosten dragen.
Uitkomst: De huurovereenkomst voor de woning van de overleden partner wordt voortgezet en de huurder wordt veroordeeld tot betaling van huur en servicekosten, terwijl de ontruiming van de onderverhuurde woning wordt afgewezen.