Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
‘pressing social need’beantwoordt, en, in het bijzonder als de door de nationale overheid gegeven redenen om de inmenging te rechtvaardigen
‘relevant and sufficient’ [4] zijn en de inmenging ‘
proportionate to the legitimate aim pursued’is. [5]
Winterstein and others v. Franceuit 2013
: [6]
Buckley v. the United Kingdom, 25 September 1996, §§ 52-54, Reports of Judgments and Decisions 1996-IV; McCann, cited above, § 46;
Prokopovitch v. Russia, no. 58255/00 (https://hudoc.echr.coe.int/eng), § 36, ECHR 2004XI; and
Orlić v. Croatia, no. 48833/07 (https://hudoc.echr.coe.int/eng), § 54, 21 June 2011).’
margin of appreciation. Daarbij past dat het EHRM in dit verband met name procedurele waarborgen voor het recht op de woning formuleert. Het is essentieel dat wie zijn woning door uitzetting dreigt te verliezen, door een onafhankelijke rechter de evenredigheid van die maatregel kan laten toetsen. Tot de door het EHRM geformuleerde waarborgen behoort vervolgens ook dat die rechter aangevoerde relevante argumenten betreffende de evenredigheid van de inmenging in detail dient te onderzoeken en zijn beslissing afdoende moet motiveren. [8] Ook in het kort aangedragen argumenten moeten worden behandeld. [9] Doet de rechter dit niet, dan kan dit gebrek een (zelfstandige) schending van art. 8 EVRM Pro opleveren. [10]
Faulkner and McDonagh v. Irelanduit 2022 vat het EHRM de verschillende regels als volgt samen: [11]
Yordanova, cited above, § 118 (i)-(iv), with further references):
Winterstein and Others, cited above, § 76).’
illegalebewoning ligt het anders. Toepassing van de gewone normen van het burgerlijk recht impliceert dan nog geen toets van de noodzakelijkheid en evenredigheid van de ontruiming. De eigenaar van een zaak en dus ook van een woning, kan deze immers eenvoudig opeisen van een ieder die haar zonder recht houdt (art. 5:2 BW Pro), zonder dat het burgerlijk recht nadere voorwaarden stelt. [14] Een op grond van het eigendomsrecht bevolen ontruiming van de woning voldoet wel vanzelfsprekend aan het vereiste dat de inmenging in het recht op de woning in de wet is voorzien (het reeds genoemde art. 5:2 BW Pro), zij dient naar het zich laat aanzien ook steeds of bijna steeds een legitiem doel (de handhaving van het recht van de eigenaar), maar het is niet op voorhand gegeven dat zij ook evenredig is. Zij is dat in ieder geval niet onder alle omstandigheden en in iedere modaliteit. Kortom, juist in gevallen van illegale bewoning heeft art. 8 EVRM Pro, verstaan overeenkomstig de rechtspraak van het EHRM, wél meerwaarde.
Faulkner and McDonagh v. Irelanduit 2022: [15]
Chapman, cited above, §§ 102-104).’
Kaminskas v. Lithuaniakwam aan de persoonlijke omstandigheden (gevorderde leeftijd, slechte gezondheid en laag inkomen) minder gewicht toe dan het gestelde algemene belang van de overheid bij sloop van een woning. In de beoordeling speelt een belangrijke rol dat de rechter en andere nationale autoriteiten op diverse manieren met het belang van de klager rekening hadden gehouden, onder meer door hem tijd te geven andere woonruimte te zoeken en de sloop uit te stellen tot voorbij het winterseizoen, terwijl de rechter in zijn uitspraak de betrokken belangen had gewogen. [16]
Yordanova and others v. Bulgary [19] (herhaald in 2013 in
Winterstein and others v. France [20] )
.Sinds 2012 moeten we het element van een gekwalificeerd onderzoek en motivering er dus bijdenken.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
grief IVvoert [de bewoner] aan dat het beroep op artikel 8 EVRM Pro ertoe moet leiden dat hem het huurgenot van de standplaats wordt verschaft althans het gebruik daarvan wordt gedoogd. Voor [de bewoner] is van belang dat hij op zijn huidige standplaats in familieverband kan blijven wonen. Voorts moet rekening worden gehouden met zijn gezondheid; hij loopt erg slecht, lijdt aan suikerziekte en heeft beginnende Parkinson en hartritmestoornissen.
family life.De familieleden van cliënt wonen op betreffende standplaats. Door de gemeente is aangegeven dat er geen blijk is van een noodsituatie. Ook al zouden die er niet zijn, dan dienen de persoonlijke omstandigheden een rol te spelen, en in de afweging betrokken te worden. Dat cliënt in een gewone woning heeft gewoond doet daar niet aan af.’
family life, en blijft in het midden wat overigens de gevolgen van de ontruiming voor hem zijn. Dit niettegenstaande de kanttekeningen die de Gemeente had geplaatst bij de stelling van [de bewoner] dat het voor hem onmogelijk is om voor andere passende woonruimte in aanmerking te komen.
in detaildient te onderzoeken en zijn beslissing
afdoendedient te motiveren. In verband met de inhoud van het partijdebat dunkt mij echter niet werkelijk voor twijfel vatbaar wat een onderzoek en motivering die die maat wél hebben, in deze zaak oplevert.