ECLI:NL:RBROT:2025:13941
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verrekening proceskosten met openstaande schuld door college Rotterdam
Eiseres maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam om toegekende proceskosten te verrekenen met openstaande schulden. Het college had in februari en april 2025 proceskosten van respectievelijk €958 en €960 verrekend met openstaande vorderingen. Eiseres stelde dat de proceskostenvergoeding aan haar rechtsbijstandsverlener toekomt, dat er een cessie had plaatsgevonden, dat vorderingen verjaard of betwist zijn en dat er sprake was van een schuldhulptraject.
De rechtbank oordeelde dat het college op grond van artikel 60a, vierde lid, van de Pw bevoegd is de proceskosten te verrekenen met openstaande vorderingen. De verrekening gaat voor betaling aan de gemachtigde. De cessie doet aan deze bevoegdheid niet af, omdat de tegenvordering voortvloeit uit dezelfde rechtsverhouding. Verjaring is gestuit door jaarlijkse schuldenoverzichten en betwisting van de schuld sluit opeisbaarheid niet uit. Het schuldhulptraject was niet aangevangen op het moment van verrekening.
De rechtbank vond geen schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De proceskostenvergoeding wordt geacht tot het bedrijfsrisico van de advocaat te behoren. Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard, waardoor zij geen proceskostenvergoeding of griffierecht terugkrijgt.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het college mag de proceskosten verrekenen met de openstaande schuld.