ECLI:NL:RBROT:2024:6290
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wegens niet-medewerking huisbezoek
Verzoekster ontving sinds 2017 een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder. Stroomopwaarts beëindigde deze uitkering per 4 april 2024 wegens het niet meewerken aan een huisbezoek. Verzoekster betwistte het besluit en stelde dat zij geen gezamenlijke huishouding voert en dat het gebruikte bewijs ontoelaatbaar is. Ook voerde zij aan dat de belangen van haar vijf minderjarige kinderen onvoldoende zijn meegewogen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om een voorlopige voorziening spoedeisend was en dat Stroomopwaarts op grond van onderzoek en meldingen redelijkerwijs mocht twijfelen aan de juistheid van de woon- en leefsituatie van verzoekster. Het huisbezoek was proportioneel en noodzakelijk. Tijdens het bezoek weigerde de aanwezige man zich te legitimeren en verliet het team de woning na toestemming van verzoekster, die daarmee niet voldeed aan haar medewerkingsplicht.
De rechtbank stelde vast dat Stroomopwaarts de bijstandsuitkering terecht mocht intrekken op grond van de medewerkingsverplichting en dat de belangen van de kinderen voldoende waren meegewogen. De artikelen 3 en 27 van het IVRK zijn niet direct toepasbaar en boden geen grond voor schorsing. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en bevestigt de intrekking van de bijstandsuitkering wegens niet-medewerking aan het huisbezoek.