Uitspraak
Datum uitspraak: 6 oktober 2021
BESTUURSRECHTSPRAAK
griffier
Raad van State
De burgemeester van Rotterdam besloot op 14 januari 2019 de sociale huurwoning van appellanten voor zes maanden te sluiten vanwege de vondst van 237,7 gram cocaïne, contant geld en drugshandelattributen in de woning. Appellanten voerden aan dat de sluiting onevenredig was vanwege de ernstige ziekte van appellant sub 2A, de aanwezigheid van minderjarige kinderen en het onvermogen om vervangende woonruimte te vinden.
De rechtbank oordeelde dat de burgemeester het besluit onzorgvuldig had voorbereid en onvoldoende had gemotiveerd, met name door niet nader te onderzoeken of de vervangende woonruimte aan medische eisen moest voldoen. De burgemeester ging in hoger beroep omdat hij duidelijkheid wilde over zijn bevoegdheid tot sluiting.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelde vast dat de burgemeester niet in redelijkheid tot sluiting kon besluiten. Hoewel de burgemeester bevoegd was en de ernst van de overtreding groot was, woog de combinatie van omstandigheden zwaar: appellanten konden niet verwijt worden, hadden een medische noodzaak en minderjarige kinderen, en dreigde ontbinding van de huurovereenkomst met plaatsing op een zwarte lijst. Daarom was een waarschuwing passender.
De Raad van State vernietigde het besluit tot sluiting en het daarop volgende besluit op bezwaar, bevestigde het overige en veroordeelde de burgemeester tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit op bezwaar.
Uitkomst: Het besluit tot sluiting van de woning wordt vernietigd omdat de burgemeester niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt gezien de bijzondere omstandigheden.