ECLI:NL:RBROT:2023:9063
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde vaststelling en afwijzing immateriële schadevergoeding
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de gemeente Rotterdam waarin de WOZ-waarde van zijn sociale huurwoning is vastgesteld op €165.000,- voor het belastingjaar 2021. Hij betwist de hoogte van de waarde en stelt dat deze te hoog is vastgesteld, terwijl hij zelf een waarde van €158.000,- aanvoert.
De rechtbank oordeelt dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog is. Verweerder baseert zich op een taxatierapport en een waardematrix waarin vergelijkingsobjecten zijn gebruikt die voldoende vergelijkbaar zijn met de onroerende zaak. De rechtbank acht de gebruikte vergelijkingsobjecten bruikbaar en vindt dat er voldoende rekening is gehouden met het onderhouds- en voorzieningenniveau, alsmede met het energielabel van de woning.
Verder wijst de rechtbank het verzoek van eiser om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af. Hoewel de redelijke termijn is overschreden, is het financieel belang van eiser gering omdat hij huurder is en de belastingen op de WOZ-waarde niet voor zijn rekening komen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die vergoeding rechtvaardigen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af en bepaalt dat eiser het griffierecht niet terugkrijgt.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde is ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding is afgewezen.