Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
[handelsnaam01],
1.Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 10 mei 2023;
- het verweerschrift, met bijlagen, ontvangen op 6 juli 2023.
Rechtbank Rotterdam
De werknemer trad op 8 februari 2023 in dienst bij de werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van één jaar. Op 14 april 2023 eindigde de arbeidsovereenkomst, maar partijen verschillen van mening over de wijze van beëindiging. De werknemer stelt dat hij is ontslagen, terwijl de werkgever betoogt dat de beëindiging met wederzijds goedvinden tot stand kwam.
De kantonrechter stelt vast dat de werknemer niet ondubbelzinnig heeft ingestemd met beëindiging en dat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig heeft opgezegd omdat schriftelijke instemming ontbrak. De arbeidsovereenkomst is derhalve niet met wederzijds goedvinden geëindigd.
De kantonrechter kent aan de werknemer een billijke vergoeding van €3.500 toe wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Daarnaast wordt een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van €2.835 toegekend, gelijk aan loon over de opzegtermijn, en een transitievergoeding van €117,08. Tevens worden wettelijke rente en proceskosten aan de zijde van de werknemer toegewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst is niet met wederzijds goedvinden geëindigd en de werknemer krijgt een billijke vergoeding, vergoeding wegens onregelmatige opzegging en transitievergoeding toegewezen.