Uitspraak
1..Inleiding
2..Procesverloop
3..Adviezen
4..Standpunt van partijen
5..Beoordeling
“Zoals hierboven vermeld, is de termijn van de terbeschikkingstelling aangevangen op 12 juli 2018. De hierna te geven beslissing wijzigt die datum niet.”.
Rechtbank Rotterdam
De rechtbank Rotterdam behandelde op 30 juni 2022 de vordering van het openbaar ministerie tot verlenging van de terbeschikkingstelling (TBS) van een ter beschikking gestelde die sinds 12 juli 2018 onder voorwaarden ter beschikking was gesteld. De maatregel was gemaximeerd en de vraag was of verlenging mogelijk was na de voorlopige verpleging die op 30 augustus 2019 begon.
De deskundigen adviseerden verlenging vanwege een hoog recidiverisico, onder meer door narcistische persoonlijkheidsstoornis, antisociale trekken, psychopathie en cannabisgebruik. De ter beschikking gestelde werkte niet mee aan onderzoek, uitgaande van een einddatum van 12 juli 2022.
De rechtbank oordeelde dat de termijn van vier jaar voor de TBS met dwangverpleging aanvangt op de datum van het bevel tot voorlopige verpleging (30 augustus 2019) en niet op de datum van de oorspronkelijke TBS met voorwaarden (12 juli 2018). Echter, de ter beschikking gestelde mocht redelijkerwijs vertrouwen op een einddatum van 12 juli 2022, zoals blijkt uit eerdere uitspraken.
Het vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel wegen zwaarder dan het belang van verlenging. Daarom wijst de rechtbank de vordering af en adviseert de ter beschikking gestelde vrijwillige behandeling voort te zetten. Tegen deze beslissing kan binnen veertien dagen beroep worden ingesteld.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling af vanwege het zwaarder wegen van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel.