De kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van verzoekster tegen HFC Beijerlandselaan Rotterdam B.V. over het ontslag op staande voet van 17 september 2021.
HFC stelde dat er een tweede arbeidsovereenkomst was gesloten, maar slaagde er niet in dit te bewijzen. Daarom werd aangenomen dat de eerste arbeidsovereenkomst stilzwijgend was voortgezet, die geen tussentijdse opzegmogelijkheid kende. Het ontslag op staande voet werd daarom als onregelmatig beoordeeld.
De kantonrechter berekende de transitievergoeding over de periode 1 februari 2021 tot 31 januari 2022 op basis van loonspecificaties en kende een bedrag van €288,72 bruto toe. Daarnaast werd een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van €5.513,80 bruto toegekend over de periode 18 september 2021 tot 31 januari 2022. Een verzoek tot billijke vergoeding werd afgewezen vanwege de beperkte duur van het dienstverband en reeds toegekende vergoedingen.
De wettelijke rente werd toegewezen vanaf respectievelijk 17 oktober 2021 en 17 september 2021. HFC werd veroordeeld in de proceskosten en de beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.