ECLI:NL:RBROT:2020:512
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Toepassing Nederlands socialeverzekeringsrecht op rijnvarende en afwijzing regularisatieverzoek
Eiser werkte van 1 januari tot 28 oktober 2007 aan boord van een schip dat eigendom was van een Nederlands bedrijf. Hij stelde dat hij in die periode in Luxemburg verzekerd was en dat regularisatie van de sociale verzekeringspremies moest plaatsvinden. Verweerder stelde dat op grond van het Rijnvarendenverdrag het Nederlands socialeverzekeringsrecht van toepassing was omdat het schip werd geëxploiteerd door een Nederlandse onderneming.
De rechtbank bevestigde dat de Rijnvaartverklaring uit 2003 leidend is voor de vaststelling van de exploitant en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat een Luxemburgse onderneming het schip exploiteerde. De Luxemburgse autoriteiten weigerden mee te werken aan een regularisatieovereenkomst. Verweerder had zich voldoende ingespannen om tot een overeenkomst te komen, waardoor hem geen verwijt kan worden gemaakt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af omdat het bestreden besluit niet onrechtmatig was. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.